Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ5556

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
42548
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 8:75 Awb; art. 2, lid 1, letter a, en lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht. Proceskostenvergoeding; vloeide de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voort uit de handelwijze van belanghebbende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/297
BNB 2007/123
V-N 2007/4.9 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.548

5 januari 2007

SE

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 juli 2005, nr. BK-03/01278, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 94.046. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 91.363.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft geen termen aanwezig geacht de Inspecteur te veroordelen in de kosten aan de zijde van belanghebbende opgekomen in verband met het beroep. Het Hof heeft daartoe geoordeeld dat, niettegenstaande dat het beroep van belanghebbende gegrond moet worden verklaard en de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, belanghebbende ter zake van de levering van een pand uit hoofde van de Wet op de omzetbelasting 1968 omzetbelasting verschuldigd is, hetgeen door belanghebbende ook nimmer als zodanig is betwist. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een vordering van de zijde van de belastingdienst uit hoofde van onverschuldigde betaling ter zake van de aan belanghebbende ambtshalve verleende teruggaaf goede kans van slagen heeft, zodat alsdan materieel bezien dezelfde situatie ontstaat als in het geval het beroep van belanghebbende ongegrond zou zijn verklaard en de naheffingsaanslag in stand was gebleven. Volgens het Hof moet de gemachtigde van belanghebbende, ten aanzien van wiens deskundigheid het Hof geen reden ziet te twijfelen en wiens deskundigheid aan belanghebbende moet worden toegerekend, zulks redelijkerwijs hebben beseft. Hierin heeft het Hof een bijzondere omstandigheid gezien als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), en een reden om de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met het beroep bestaande in kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand, in afwijking van het bepaalde in artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit, te bepalen op nihil. Het middel bestrijdt dit oordeel.

3.2. Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komen. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 mei 2006, nr. 42449, BNB 2006/270, mag van deze regel worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende.

3.3. Met zijn oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van de door hem in beroep gemaakte kosten, heeft het Hof de hiervoor in 3.2 weergegeven (uitzonderings)regel miskend. Immers, de ten onrechte opgelegde naheffingsaanslag is niet een gevolg van een handelwijze van belanghebbende. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.

3.4. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof. Bij de vaststelling van het bedrag van de kosten wordt voor het gewicht van de zaak uitgegaan van een wegingsfactor van 1. Anders dan belanghebbende betoogt, is niet juist dat bij het bepalen van het gewicht van de zaak moet worden uitgegaan van het financiële belang (zie HR 28 februari 2003, nr. 37488, BNB 2003/155).

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing omtrent de kosten van het geding voor het Hof,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 207,

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2007.