Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ5505

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
01839/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ5505
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Ingevolge art. 449.1 jo. art. 407.1 Sv kan het hoger beroep slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld. Alleen indien aan verdachte cumulatief strafbare feiten zijn tenlastegelegd, kan ingevolge art. 407.2 Sv het hoger beroep tot een of meer van die gevoegde zaken worden beperkt. Voor de beantwoording van de vraag of het ingestelde hoger beroep al dan niet is beperkt, is de inhoud van de appelakte beslissend. Door in de onderhavige zaak bij de beoordeling van de omvang van het hoger beroep mede betekenis toe te kennen aan de inhoud van de appelmemorie, heeft het hof het vorenoverwogene miskend. CAG wijst nog op komende wetgeving (stroomlijnen hoger beroep).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 191
NBSTRAF 2007/191
JOL 2007, 241
NJ 2007, 211
RvdW 2007, 386
NJB 2007, 958

Uitspraak

3 april 2007

Strafkamer

nr. 01839/06

IC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 juni 2006, nummer 22/000093-06, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring "Noordsingel" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 22 december 2005.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadsman van de verdachte, mr. A.B. Baumgarten, advocaat te 's-Gravenhage, heeft het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande (onbeperkt ingestelde) hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de omvang van het hoger beroep.

3.2. De procesgang is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest.

(i) Bij vonnis van 22 december 2005 is de verdachte door de Rechtbank vrijgesproken van de hem onder 1 primair tenlastegelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid en is hij veroordeeld ter zake van de hem onder 1 subsidiair tenlastegelegde ontucht met zijn minderjarig kind

- met vrijspraak van "meermalen gepleegd" - en de hem onder 2 tenlastegelegde mishandeling, terwijl het feit wordt begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

(ii) De Officier van Justitie heeft, naar het Hof heeft vastgesteld, op 3 januari 2006 een appelmemorie ingediend waarvan de eerste alinea als volgt luidt:

"Dit partiële beroep richt zich tegen de vrijspraak van de onder 1 subsidiair telastegelegde meermalen gepleegde ontucht in de periode van 1 september 2002 tot en met 9 februari 2005."

(iii) De Officier van Justitie heeft op 4 januari 2006 hoger beroep ingesteld. De daarvan opgemaakte akte houdt in dat het beroep wordt ingesteld tegen "het vonnis gewezen door de Meervoudige kamer in deze rechtbank op 22 december 2005".

3.3. De bestreden uitspraak houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte als preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu blijkens de appelmemorie het hoger beroep in strijd met artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering een ongeoorloofde beperking bevat.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 407, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt:

Het hooger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld.

Het eerste lid van artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering luidt vervolgens:

Binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep kan de partij die in beroep is gekomen op de griffie van het gerecht, dat het vonnis heeft gewezen, een schriftuur, houdende haar grieven, indienen.

In casu heeft de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage, F.A. Kuipers, op 4 januari 2006 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis, gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank te 's-Gravenhage op 22 december 2005.

De officier van justitie heeft op 3 januari 2006 en derhalve één dag voor de datum van het instellen van hoger beroep, ex artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering een appelmemorie ingediend. De eerste zin van deze appelmemorie luidt:

Dit partiële hoger beroep richt zich tegen de vrijspraak van de onder 1 subsidiair telastegelegde meermalen gepleegde ontucht in de periode van 1 september 2002 tot en met 9 februari 2005.

De rechtbank had de verdachte van de hem onder 1 primair tenlastegelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid vrijgesproken en hem ter zake van deze subsidiair tenlastegelegde ontucht veroordeeld, met vrijspraak van "meermalen gepleegd". In het vervolg van de schriftuur bestrijdt de officier van justitie slechts de vrijspraak op dit onderdeel van het subsidiair tenlastegelegde.

Met de openingswoorden van deze schriftuur geeft de officier te kennen dat het, volgens de akte van hoger beroep onbeperkt ingestelde, hoger beroep moet worden opgevat als niet tegen het vonnis in zijn geheel gericht. Niets in het vervolg van de schriftuur geeft reden om over deze uitleg van de officier zelf te aarzelen. Van de officier van justitie mag worden verwacht dat deze de betekenis kent van strafvorderlijke termen en deze termen niet in een andere dan de gangbare betekenis gebruikt. Dit brengt mee dat de verdachte en zijn raadsman na ontvangst van de schriftuur, die reeds voor het instellen van het

hoger beroep was ondertekend, het ingestelde hoger beroep in het licht van de schriftuur mochten aanmerken als een deelberoep.

De door de officier van justitie in het hoger beroep aangebrachte beperking is in strijd met het eerste lid van artikel 407 van het Wetboek van Strafvordering. Om deze reden zal het hof de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in het hoger

beroep."

3.4. In aanmerking genomen dat de hiervoor onder 3.2 sub (iii) genoemde appelakte geen beperking inhoudt van het door de Officier van Justitie ingestelde beroep, is het oordeel van het Hof dat dat beroep niet tegen het vonnis van de Rechtbank in zijn geheel is gericht, onbegrijpelijk.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 3 april 2007.