Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ5466

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
00764/06 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ5466
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak. 1. Betrokkene heeft op 21-1-03 cassatie ingesteld. De stukken zijn op 10-3-06 bij HR binnengekomen. De redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden. Dit leidt i.c. tot vermindering van de aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting met 10%. 2. I.c. is art. 577c Sv van toepassing. HR vernietigt bestreden uitspraak vzv. vervangende hechtenis is opgelegd (HR NJ 2004, 573).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2007

Strafkamer

nr. 00764/06 P

IV/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 januari 2003, nummer 22/005080-99, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 25 maart 1999 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 105.000,-, subsidiair 600 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd alsmede wat betreft de hoogte van de vastgestelde betalingsverplichting, tot vermindering van die betalingsverplichting en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

3.2. De betrokkene heeft op 21 januari 2003 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 10 maart 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld.

3.3. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van deze termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de betrokkene heeft bij niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

4. Beoordeling van het tweede, het derde, het vierde, het vijfde en het zesde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het zevende middel

5.1. Het middel bevat de klacht dat door het Hof ten onrechte vervangende hechtenis is opgelegd.

5.2. Die klacht treft doel. Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing. De Hoge Raad zal daarom de bestreden uitspraak vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl. HR 7 oktober 2003, NJ 2004, 573).

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en voor zover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd;

Vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 94.500,- bedraagt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 20 februari 2007.