Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ4603

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
C05/223HR (1442)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ4603
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningsrecht. Door Staat gevorderde vervroegde onteigening met schadeloosstelling wegens bedrijfsverplaatsing; vaststelling schadeloosstelling, aankoop van vervangende locatie, tijdelijke financieringslasten, afzien van voorgenomen investering en uitblijven daarvan op nieuwe locatie, maatstaf, motiveringseisen; vergoeding van wettelijke rente ter zake van het verschil tussen de schadeloosstelling en voorschotten, ingangsdatum; kosten deskundigen, onbegrijpelijk oordeel.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 40
Onteigeningswet 54t
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 73
NJ 2007, 91
RvdW 2007, 170
NJB 2007, 428
BR 2007/210 met annotatie van J.F. de Groot
Module Ruimtelijke ordening 2007/1554
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/223HR (1442)

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie, incidenteel verweerder in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instantie

Eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - heeft bij exploot van 10 mei 2000 verweerder in cassatie - verder te noemen: [Verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Breda en gevorderd ten algemenen nutte en ten name van de Staat vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven onroerende zaken met de kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A], respectievelijk nrs. [0001], [0002] (gedeeltelijk), [0003] en [0004], waarvan [verweerder] als eigenaar is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen.

Bij vonnis van 5 september 2000 heeft de rechtbank de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, bepaald dat de Staat tevens het overblijvende gedeelte van het perceel sectie [A], nr. [0002] en het perceel sectie [A], nr. [0005] dient over te nemen, het voorschot op de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op ƒ 1.302.057,90, bepaald dat de Staat zekerheid dient te stellen en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. Bij vonnis van 26 september 2000 heeft de rechtbank het vonnis van 5 september 2000 verbeterd en aangevuld. Bij tussenvonnis van 31 maart 2004 heeft de rechtbank de deskundigen gelast nader te rapporteren zoals onder 2.56, 2.57, 2.58 en 2.72 van het vonnis van de rechtbank is overwogen.

Bij eindvonnis van 29 juni 2005 heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op € 1.457.784,80, waarin begrepen de reeds betaalde voorschotten van in totaal € 926.544,51, en de Staat veroordeeld tot betaling van het verschil tussen het bedrag van de schadeloosstelling en de voorschotten, vermeerderd met wettelijke rente daarover met ingang van de dag van de vonnissen waarbij die voorschotten zijn vastgesteld.

Het tussenvonnis van 31 maart 2004 en het eindvonnis van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

De Staat heeft tegen de vonnissen van de rechtbank van 31 maart 2004 en 29 juni 2005 beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, waarbij namens [verweerder] alsnog is geconcludeerd tot gedeeltelijke referte met betrekking tot onderdeel 4.2 van het principale beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt, kort weergegeven, tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank en tot terugwijzen van de zaak naar de rechtbank te Breda.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 23 november 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1. De in de onderdelen 1 en 2 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.2. Onderdeel 3 betreft de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 31 maart 2004 toewijsbaar geachte vergoeding van inkomensschade die [verweerder] heeft geleden doordat hij voorafgaand aan de onteigening heeft afgezien van de door hem voorgenomen bouw van een nieuwe kas van omstreeks 8.000 m2 op het onteigende, waarvoor hem op 21 februari 1991 een bouwvergunning was verleend. De rechtbank heeft in navolging van de deskundigen in rov. 2.45 de voorwaarden opgesomd waaronder dergelijke gederfde inkomsten voor vergoeding in aanmerking komen, en vervolgens in rov. 2.46-2.51 geoordeeld dat daaraan in dit geval is voldaan. De rechtbank achtte in het voetspoor van de deskundigen aannemelijk dat [verweerder] zonder onteigening en na het afbreken van de onderhandelingen met de gemeente, de kas in de loop van 1993 op het onteigende zou hebben gerealiseerd en dat hij niet om bedrijfseconomische redenen van de bouw van de kas op de oude locatie heeft afgezien. Dat [verweerder] uiteindelijk ook vanaf 2000, in welk jaar de onteigeningsdagvaarding is uitgebracht, op de nieuwe locatie geen grootschalige kassenbouw heeft gepleegd, is niet een omstandigheid waaruit conclusies kunnen worden getrokken omtrent hetgeen [verweerder] zonder onteigening in 1993 op de oude locatie zou hebben gedaan.

De omstandigheden zijn niet vergelijkbaar; het betreft inmiddels een andere onderneming op een andere locatie in een andere tijd, aldus de rechtbank. Hiertegen keren zich de onderdelen 3.1-3.4 met klachten, die erop neerkomen dat de rechtbank wel degelijk conclusies in de door de Staat bepleite zin had moeten verbinden aan de omstandigheid dat [verweerder] op de door hem in 1994 verworven vervangende locatie geen grootschalige kassenbouw heeft gepleegd.

3.3. Onderdeel 3.1 neemt kennelijk de door de rechtbank in rov. 2.45 vermelde vaste rechtspraak tot uitgangspunt. Het onderdeel betoogt dat regel van onteigeningsrecht is dat - behoudens bijzondere omstandigheden - de onteigende de (door hem aanvankelijk voorgenomen) bestemming op het onteigende (van in dit geval grootschalige kassenbouw) niet daadwerkelijk zou hebben verwezenlijkt, indien hij op het moment dat voldoende vaststond dat onteigening en bedrijfsverplaatsing onvermijdelijk waren, een vervangende locatie heeft verworven en deze bestemming op die vervangende locatie niet heeft gerealiseerd hoewel daartoe mogelijkheden bestonden en dat in de lijn van de bedrijfsvoering lag. Een redelijk handelend onteigende zal in het kader van zijn bedrijfsvoering immers op de vervangende locatie enerzijds geen investeringen voor de realisering van de bestemming verrichten die niet renderen en anderzijds daarvoor die investeringen doen die wèl lucratief zijn voor de bedrijfsvoering. Uit een aantal in het onderdeel vermelde omstandigheden valt in beginsel af te leiden dat het investeren in een nieuwe kas op de vervangende locatie niet lucratief was voor de bedrijfsvoering. Daarom had de rechtbank volgens het onderdeel tot uitgangspunt moeten nemen dat [verweerder] de kas op het onteigende evenmin zou hebben gerealiseerd.

3.4. Het onderdeel faalt, omdat de daarin bepleite regel van onteigeningsrecht in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard. Bij de beantwoording van de vraag of de onteigende vanwege de naderende onteigening heeft afgezien van een voorgenomen investering op het onteigende komt het aan op alle omstandigheden van het geval, waarbij de omstandigheid dat de onteigende de investering niet heeft gedaan op een door hem verworven vervangende locatie slechts een van de in aanmerking te nemen omstandigheden is. De rechtbank heeft dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat met inachtneming van de in rov. 2.49 vermelde omstandigheden aannemelijk is dat [verweerder] - zonder onteigening en na het afbreken van de onderhandelingen met de gemeente - de kas in de loop van 1993 op het onteigende zou hebben gerealiseerd, en dat niet aannemelijk is dat [verweerder] daarvan om bedrijfseconomische redenen in 1993 toch zou hebben afgezien. Het oordeel dat daaraan niet afdoet dat uiteindelijk vanaf 2000 op de nieuwe locatie geen grootschalige kassenbouw is gepleegd omdat de omstandigheden niet vergelijkbaar zijn, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het onderdeel aanvoert, maken de daarin onder (i) tot en met (vi) genoemde omstandigheden de oordelen van de rechtbank niet rechtens onjuist.

3.5. Die omstandigheden noopten, anders dan in onderdeel 3.2 wordt aangevoerd, de rechtbank ook niet tot een nadere motivering van haar oordeel dat aan het achterwege blijven van de investering op de nieuwe locatie niet de door de Staat bepleite conclusies kunnen worden verbonden met betrekking tot hetgeen [verweerder] op de oude locatie zonder onteigening in 1993 zou hebben gedaan. Ook het daarvoor redengevende oordeel dat de omstandigheden niet vergelijkbaar zijn omdat het inmiddels een andere onderneming op een andere locatie in een andere tijd betreft, is, anders dan in onderdeel 3.3 wordt aangevoerd, niet ontoereikend gemotiveerd. Dat een ondernemer in de regel slechts naar verwachting profijtelijke investeringen zal doen en minder lucratieve investeringen achterwege zal laten, zal in het algemeen waar zijn. De rechtbank heeft zich echter begrijpelijkerwijs niet begeven in speculatieve beschouwingen aan de hand van deze algemene bedrijfseconomische regel, maar volstaan met de constatering dat - naar zij ook heeft kunnen afleiden uit hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd - zodanige verschillen tussen de oude en de nieuwe locatie bestaan dat het niet gerechtvaardigd is conclusies te trekken uit het achterwege blijven van kassenbouw op de nieuwe locatie. Daarbij heeft de rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat [verweerder] in de periode tot 2000 voortdurend in onzekerheid heeft verkeerd omtrent het al dan niet doorgaan van de onteigening en dat ook daarom de beslissing van [verweerder] om op de nieuwe locatie, nadat deze in 1994 was verkregen, niet tot grootschalige kassenbouw over te gaan, weinig zegt over de redenen waarom [verweerder] op de oude locatie geen gebruik heeft gemaakt van de hem in 1991 verleende bouwvergunning.

De aan een feitelijk oordeel als het onderhavige te stellen motiveringseisen brengen niet mee dat de rechtbank gedetailleerd moest uiteenzetten welke verschillen in de omstandigheden naar haar oordeel aan het trekken van conclusies in de weg stonden, en zij heeft dan ook kunnen oordelen dat hetgeen de Staat in dit verband heeft gesteld niet afdoet aan de in rov. 2.49 vermelde bevindingen van de deskundigen, die de rechtbank tot de hare heeft gemaakt.

3.6. Ook de in onderdeel 3.4 voorgestelde motiveringsklacht is tevergeefs voorgesteld, omdat de daarin vermelde stellingen de rechtbank niet tot een nadere motivering noopten.

3.7. De onderdelen 3.5 en 3.6 nemen tot uitgangspunt dat [verweerder] zonder onteigening de nieuwe kas op het onteigende zou hebben gebouwd.

3.7.1. Onderdeel 3.5 keert zich tegen de periode (van medio mei 1993 tot ultimo 2000) waarover de rechtbank in navolging van de deskundigen de door [verweerder] geleden inkomensschade toewijsbaar heeft geoordeeld. Het onderdeel berust op de veronderstelling dat de rechtbank blijkens rov. 2.36 en 2.37 van haar tussenvonnis de tijdelijke financieringslasten ter zake van de vervangende locatie over de periode van 1 november 1994 (verkrijging van de nieuwe locatie) tot 1 maart 1999 (ontvangst van het voorschot op de schadeloosstelling) als voor vergoeding in aanmerking komend onteigeningsgevolg heeft aangemerkt op de grond dat de aankoop daarvan als een schadebeperkende maatregel voorafgaand aan de onteigening kon worden beschouwd. Daarvan uitgaande betoogt het onderdeel dat, nu het nemen van een schadebeperkende maatregel in het algemeen slechts redelijk is indien sprake is van een concrete en onmiddellijke dreiging van het ontstaan van schade, in het oordeel van de rechtbank in rov. 2.36 en 2.37 besloten ligt dat reeds op 1 november 1994 voor [verweerder] voldoende vaststond dat zou worden onteigend en een bedrijfsverplaatsing onvermijdelijk was. Daarom is rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd het oordeel van de rechtbank in rov. 2.50 en 2.51 dat eerst op 10 mei 2000 voor [verweerder] vaststond dat een onteigening en bedrijfsverplaatsing onvermijdelijk waren, aldus nog steeds het onderdeel.

3.7.2. Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat de veronderstelling waarop het berust onjuist is. De rechtbank heeft niet, ook niet impliciet geoordeeld dat op 1 november 1994 voor [verweerder] reeds vaststond dat de onteigening en bedrijfsverplaatsing onvermijdelijk waren. Dat was naar het oordeel van de rechtbank eerst het geval op 10 mei 2000. Daarmee is niet onverenigbaar dat de rechtbank de tijdelijke financieringslasten in de schadeloosstelling heeft opgenomen, zulks kennelijk niet op de grond dat de aankoop van de vervangende locatie is geschied om de schade voor de Staat te beperken, maar - blijkens rov. 2.16 en 2.17 van het tussenvonnis - op de grond dat de schadeloosstelling op basis van die aankoop en verplaatsing van het bedrijf (en het gezin) naar die locatie op een lager bedrag uitkomt dan wanneer wordt uitgegaan van de (fictieve) aankoop van andere vervangende grond na de onteigening.

3.7.3. Onderdeel 3.6 voert aan dat een tegenstrijdigheid schuilt in enerzijds de rov. 2.50 en 2.51 waarin ligt besloten dat tot mei 2000 het investeren in een nieuwe kas op het onteigende lucratief zou zijn geweest, en anderzijds de rov. 2.22 en 2.23 waarin besloten ligt dat het investeren in een kas op de nieuwe locatie niet lucratief was. De klacht faalt, omdat van een tegenstrijdigheid geen sprake is. Naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank zijn de op de oude locatie betrekking hebbende omstandigheden vóór 10 mei 2000 niet vergelijkbaar met de op de nieuwe locatie betrekking hebbende omstandigheden na 10 mei 2000. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de deskundigen met betrekking tot de door [verweerder] in 1994 verworven grond hebben gerapporteerd dat deze in vergelijking met de grond van de oude locatie van aanmerkelijk geringere kwaliteit was en dat daardoor [verweerder] op de nieuwe locatie niet meer de teelt van met name sla en spinazie kon voortzetten maar zich op de teelt van bijvoorbeeld koolsoorten zou dienen te richten, welke laatste teelt echter in het algemeen een lagere opbrengst oplevert. Dat ter zake van dit laatste een vergoeding wegens permanente inkomensschade is toegekend, wil niet zeggen dat investering in een kas op de oude locatie niet lucratief zou zijn geweest.

3.8. Onderdeel 3.7 mist na het voorgaande zelfstandige betekenis.

3.9. Onderdeel 4.1 klaagt dat de rechtbank in het dictum van haar eindvonnis heeft miskend dat de Staat niet, zoals in de tussenvonnissen van 5 en 26 september 2000 is bepaald, aan [verweerder] 90% van de in die vonnissen vastgestelde voorschotten heeft voldaan en voor de resterende 10% zekerheid heeft gesteld, maar die voorschotten telkens voor 100% heeft uitbetaald. De klacht kan niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft, nu niet met verwijzing naar enige vindplaats wordt aangevoerd dat de rechtbank erop opmerkzaam is gemaakt dat van het bepaalde in de tussenvonnissen werd afgeweken, met dit feitelijk gegeven geen rekening kunnen houden. In cassatie kan een dergelijk feitelijk gegeven niet voor het eerst worden aangevoerd.

3.10. Onderdeel 4.2 bouwt ten dele voort op onderdeel 4.1 en deelt in zoverre het lot van dat onderdeel. Voor het overige is het evenwel gegrond. De rechtbank heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat de vergoeding ter zake van het verschil tussen de aan [verweerder] toegekende schadeloosstelling en de aan hem betaalde voorschotten moet worden gesteld op de wettelijke rente over dat verschil. De rechtbank heeft echter die wettelijke rente ten onrechte in het eindvonnis niet toegewezen met ingang van de dag van inschrijving van het onteigeningsvonnis, 8 februari 2001. Nu [verweerder] de bestreden beslissing van de rechtbank niet heeft verdedigd of uitgelokt, heeft dit geen gevolgen voor de kostenveroordeling in cassatie.

4. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1. Het middel keert zich tegen rov. 2.35 van het eindvonnis, waarin de rechtbank de in een declaratie van de door [verweerder] ingeschakelde deskundige De Boer van 10 maart 2005 opgenomen uren over het jaar 2003 buiten beschouwing heeft gelaten op de grond dat de uren in 2003 reeds door de deskundigen waren begroot. Dit laatste is volgens het middel onbegrijpelijk, omdat in de bedoelde begroting van de deskundigen slechts de uren tot het pleidooi van 26 mei 2003 zijn opgenomen.

4.2. De klacht is gegrond. Zoals volgt uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 3.2 vermelde gegevens, is door de deskundigen uitsluitend geoordeeld over de kosten van De Boer tot en met 26 mei 2003 en niet over de kosten in het jaar 2003 na die datum.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en het incidentele beroep:

vernietigt het eindvonnis van de rechtbank te Breda van 29 juni 2005;

verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.168,07 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 februari 2007.