Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ4564

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2007
Datum publicatie
02-02-2007
Zaaknummer
C05/302HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ4564
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Door voormalige cliënt ingestelde schadevergoedingsactie wegens een beroepsfout bestaande in het niet-informeren over risico’s van de tenuitvoerlegging van een vonnis dat in appel werd vernietigd; ontbrekend causaal verband tussen fout en schade; bewijslastverdeling, bewijsrisico; omkeringsregel niet toepasselijk nu informatieplicht advocaat niet ertoe strekt cliënt tegen aan rechtsmaatregelen verbonden risico’s te beschermen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 149
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 75
NJ 2007, 92
RvdW 2007, 171
NJB 2007, 430
JA 2007/43 met annotatie van W.H. van Boom
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/302HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

JURESTA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. D.M. de Knijff.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Juresta - heeft bij exploot van 26 november 2001 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. en verweerder sub 2 afzonderlijk [verweerder 2] - gedagvaard voor de rechtbank te Zutphen en onder meer schadevergoeding gevorderd.

[Verweerder] c.s. hebben de vordering bestreden.

Na twee tussenvonnissen heeft de rechtbank bij eindvonnis van 7 mei 2003 de vordering afgewezen.

Tegen onder meer dit eindvonnis heeft Juresta hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij conclusie van eis in hoger beroep heeft Juresta haar eis gewijzigd.

Bij tussenarrest van 24 augustus 2004 heeft het hof Juresta toegelaten tot bewijslevering en bij eindarrest van 19 juli 2005 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank van 7 mei 2003 bekrachtigd en de gewijzigde eis afgewezen.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft Juresta beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de arresten van het hof van 24 augustus 2004 en 19 juli 2005 met verwijzing naar een ander hof.

De advocaat van [verweerder] c.s. heeft bij brief van 15 november 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Juresta verricht sinds 1991 voor derden incassowerkzaamheden volgens met hen gesloten gestandaardiseerde incasso-overeenkomsten. Advex doet sinds 1995 hetzelfde. Aanvankelijk gebruikte Advex voor het sluiten van incasso-overeenkomsten een tekst die een kopie was van de door Juresta voor die overeenkomsten gebruikte tekst. Vanaf januari 1996 heeft Advex in plaats daarvan andere teksten gebruikt.

(ii) Juresta heeft, teneinde het gebruik door Advex van de tekst van de incasso-overeenkomsten van Juresta tegen te gaan, tegen Advex procedures gevoerd. Daarin heeft [verweerder 2] juridische bijstand verleend aan Juresta.

(iii) In één van die procedures heeft de rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 7 januari 1998 Advex veroordeeld om aan Juresta ter zake van schadevergoeding ƒ 19.800,-- te betalen en daarnaast Advex, op straffe van een dwangsom, verboden om de incasso-overeenkomsten van Juresta (geheel of na gedeeltelijke bewerking) te verveelvoudigen of openbaar te maken.

(iv) De advocaat van Advex heeft bij brief van 8 januari 1998 aan [verweerder 2] aangekondigd dat Advex hoger beroep zou instellen tegen dit vonnis en daarbij Juresta verzocht de executie daarvan uit te stellen. [Verweerder 2] heeft daarop bij brief van 9 januari 1998 afwijzend gereageerd en op dezelfde dag het vonnis aan Advex laten betekenen.

(v) Het hiervoor genoemde vonnis is bij arrest van het hof te Amsterdam van 20 mei 1999 vernietigd, met toekenning aan Juresta van een schadevergoeding van ƒ 12.500,-- wegens het gebruik van de gekopieerde tekst.

Het hof wees het door Juresta gevorderde verbod op het gebruik van de nieuwe versie van de incasso-overeenkomst van Advex af, omdat die versie en de door Juresta gebruikte overeenkomsten als geheel beschouwd te weinig overeenstemming vertoonden om nog een inbreuk op het auteursrecht van Juresta aan te kunnen nemen.

(vi) Advex heeft vervolgens Juresta in rechte aangesproken tot vergoeding van de schade die zij leed als gevolg van de executie van het genoemde vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 7 januari 1998. Ten tijde van het wijzen van het in dit cassatieberoep bestreden eindarrest had deze procedure nog niet geleid tot een eindvonnis. Wel was Juresta reeds in kort geding veroordeeld tot betaling van een voorschot op de door Advex gevorderde schadevergoeding.

3.2.1 Kort samengevat vordert Juresta in het onderhavige geding van [verweerder] c.s. vergoeding van schade die zij lijdt doordat zij op haar beurt veroordeeld wordt tot vergoeding van de schade die Advex lijdt ten gevolge van de executie van het hiervoor genoemde vonnis van de rechtbank te Amsterdam. Juresta stelt daartoe, kort gezegd en voorzover in cassatie van belang, primair dat [verweerder] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen jegens Juresta, subsidiair onrechtmatig hebben gehandeld doordat [verweerder 2] een beroepsfout heeft gemaakt door te verzuimen om, alvorens zijn brief van 9 januari 1998 aan Advex te schrijven en het genoemde vonnis van de rechtbank te Amsterdam op die dag te laten betekenen, Juresta te informeren over de risico's die waren verbonden aan die executie.

3.2.2 Het hof heeft bij het bestreden tussenarrest overwogen dat [verweerder] c.s. zowel de aan de gestelde beroepsfout(en) ten grondslag gelegde feiten als het gestelde causaal verband gemotiveerd betwisten (rov. 4.7). Met betrekking tot de betwisting van het causaal verband heeft het hof in dat arrest in rov. 4.12 nader overwogen dat Juresta volgens [verweerder] c.s. ook tot betekening zou hebben besloten indien [verweerder 2] haar anders of vollediger had geïnformeerd over de daaraan verbonden risico's. Omdat het hof oordeelde (rov. 4.7 en 4.12) dat op Juresta de bewijslast rust ten aanzien van de door haar gestelde beroepsfout en van het door [verweerder] c.s. betwiste causaal verband, heeft het Juresta toegelaten tot het leveren van bewijs van een en ander.

Bij het eindarrest heeft het hof in rov. 2.2 overwogen:

"In verband met de vraag naar het bewezen zijn van het gestelde oorzakelijk verband is van belang in hoeverre aannemelijk is dat betekening van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 1998 niet zou hebben plaatsgevonden en dat Juresta de afloop van Advex' hoger beroep tegen dat vonnis zou hebben afgewacht in het (hypothetische) geval dat [verweerder 2] jegens Juresta een (voor Juresta) minder positieve visie over de kans van slagen van dat hoger beroep zou hebben uitgedragen en/of Juresta zou hebben gewezen op het risico van die betekening".

Vervolgens heeft het hof geoordeeld, kort samengevat en voorzover in cassatie van belang, dat het bewijs van het causaal verband tussen de gestelde fout(en) van [verweerder 2] en de schade niet is geleverd, waartoe het hof zich met name baseerde op hetgeen naar voren was gekomen uit de verklaring die de directeur van Juresta, [getuige 1], als getuige had afgelegd. Daarop stuitte de vordering van Juresta tot schadevergoeding af. (rov. 2.3-2.5) Het hof heeft daarom het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.3.1 Tegen het tussenarrest en het eindarrest komt Juresta met drie middelen op.

Middel I strekt in de kern ten betoge dat onjuist en onbegrijpelijk is dat, zoals het hof heeft aangenomen, [verweerder] c.s. op enig moment ter onderbouwing van hun betwisting van het causaal verband hebben gesteld dat Juresta ook tot betekening zou hebben besloten indien [verweerder 2] haar anders of vollediger had geïnformeerd over de daaraan verbonden risico's. Een dergelijke expliciete stelling is, aldus het middel, niet in de stellingen van [verweerder] c.s. te vinden. Door deze stelling niettemin aan zijn beslissingen ten grondslag te leggen heeft het hof art. 149 Rv. geschonden en een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van [verweerder] c.s. gegeven.

3.3.2 Het middel faalt. Uitgangspunt is dat [verweerder] c.s. het causaal verband hebben bestreden. Voorts wordt in cassatie, zoals hierna bij de behandeling van middel II zal blijken, tevergeefs bestreden het oordeel van het hof dat ter zake van het causaal verband de bewijslast op Juresta rustte. In de hiervoor (3.2.2) geciteerde rov. 2.2 van het eindarrest heeft het hof nader aangegeven op welk punt de bewijslevering door Juresta van belang was en daarbij het probandum verder afgebakend: Juresta diende, zo moet de passage worden begrepen, aannemelijk te maken dat betekening van het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 7 januari 1998 niet zou hebben plaatsgevonden en dat Juresta de afloop van Advex' hoger beroep tegen dat vonnis zou hebben afgewacht in het (hypothetische) geval dat [verweerder 2] jegens Juresta een (voor Juresta) minder positieve visie over de kans van slagen van dat hoger beroep zou hebben uitgedragen en/of Juresta zou hebben gewezen op het risico van die betekening.

Het middel stelt in wezen de vraag aan de orde of het verweer van [verweerder] c.s. voldoende aanknopingspunten bood voor deze nadere afbakening.

In het kader van hun betwisting hebben [verweerder] c.s. bij conclusie van dupliek in eerste aanleg gesteld, gelijk de rechtbank in rov. 4.2 van haar tussenvonnis heeft vastgesteld, dat Juresta niet heeft aangevoerd dat zij het oordeel van het hof zou hebben afgewacht, indien [verweerder 2] een minder positieve visie over de kans van slagen in het hoger beroep tegen het vonnis van 7 januari 1998 zou hebben uitgedragen. Bovendien hebben [verweerder] c.s. in hoger beroep in de door het middel zelf genoemde punten 8 en 19 van de memorie van antwoord gesteld:

(8) "Juresta had groot commercieel belang bij de uitspraak van de Rechtbank d.d. 7 januari 1998 in de zaak tegen Advex. Advex was potentieel een geduchte concurrent en [getuige 1] zag in het vonnis de mogelijkheid om een concurrent van die omvang uit te schakelen. In dat kader was hem er alles aan gelegen het vonnis van de Rechtbank te executeren. Van de eventuele nadelige gevolgen van de betekening was [getuige 1] wel degelijk op de hoogte doch hij heeft die gevolgen geaccepteerd".

(19) "Terzijde zij nogmaals opgemerkt dat met Juresta wel degelijk is gesproken over de mogelijkheid van een schadevergoedingsactie van Advex jegens Juresta. Dit is ook schriftelijk te weten in [de] brief van Mr Van Kaam d.d. 8 januari en de brief van [verweerder 2] d.d. 9 januari 1998 vastgelegd. Juresta wenste - mede gezien de commerciële belangen die zij daarbij had - echter tot betekening en executie van het vonnis over te gaan. (...)"

Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof in deze stellingen van [verweerder] c.s. een zodanig voldoende betwisting gelezen van het causaal verband met betrekking tot het punt waarop het nader afgebakende probandum betrekking heeft, dat er aanleiding was de bewijslast in de zin van het bewijsrisico van Juresta daarop toe te spitsen. Dat is geenszins onbegrijpelijk. Er is dus evenmin sprake van een door art. 149 Rv verboden aanvulling door het hof van de feitelijke gronden van het verweer van [verweerder] c.s.

3.4.1 Middel II bestrijdt als onjuist het oordeel van het hof in het tussenarrest dat de bewijslast ter zake van het causaal verband op Juresta rust. Op grond van de toepasselijkheid van de omkeringsregel had het hof het causaal verband als gegeven dienen te beschouwen en [verweerder] c.s. met het tegenbewijs dienen te belasten.

3.4.2 Het middel faalt. Voor toepassing van de omkeringsregel is in een zaak als deze geen plaats omdat niet is voldaan aan het vereiste dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade. Juresta baseert de aansprakelijkheid van [verweerder] c.s. op schending van de verplichting van [verweerder 2] als advocaat om haar als opdrachtgeefster door voldoende voorlichting omtrent de risico's die verbonden zijn aan het treffen van rechtsmaatregelen als waarvan in deze zaak sprake is, in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen of zij al dan niet opdracht zal geven tot het treffen van die rechtsmaatregelen. Deze op de advocaat rustende informatieverplichting strekt dus niet ertoe de cliënt te beschermen tegen die risico's, maar de cliënt in staat te stellen goed geïnformeerd te beslissen. Het tekortschieten in de nakoming van deze informatieverplichting roept het risico in het leven dat de cliënt toestemming geeft die hij niet zou hebben gegeven indien hij goed geïnformeerd was, maar niet het risico dat zich in deze zaak heeft verwezenlijkt of dreigt te verwezenlijken (vgl. HR 23 november 2001, nr. C99/259, NJ 2002, 386 en HR 23 november 2001, nr 00/069, NJ 2002, 387).

3.5 Middel III bestrijdt het bewijsoordeel in het eindarrest. Het faalt want het bestreden oordeel is aan het hof als feitenrechter voorbehouden, niet onbegrijpelijk en alleszins voldoende gemotiveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Juresta in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 2 februari 2007.