Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ4162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
R06/041HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ4162
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Wijziging van partneralimentatie die bij de echtscheidingsuitspraak overeenkomstig een echtscheidingsconvenant is vastgesteld; behoefte vrouw t.t.v. echtscheiding, onbegrijpelijk oordeel; taak wijzigingsrechter, beoordeling ‘ex nunc’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 35
NJ 2007, 60
RvdW 2007, 102
PJ 2008, 5
NJB 2007, 323
FJR 2007, 67
JWB 2007/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 januari 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/041HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 juli 2004 ter griffie van de rechtbank te Rotterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de beschikking van de rechtbank Arnhem van 26 mei 1994 in die zin te wijzigen dat de door de man aan verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - te betalen alimentatie met ingang van 1 november 2001 dan wel met ingang van een door de rechtbank vast te stellen datum wordt gesteld op € 2.100,-- per maand, dan wel op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, alsmede met ingang van 1 april 2005 wordt gesteld op nihil dan wel op zodanig lager bedrag dan voordien verschuldigd als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 2005 de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 26 mei 1994 in die zin gewijzigd dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van de beschikking wordt bepaald op € 2.008,52 per maand en met ingang van 1 april 2005 op € 544,18 per maand.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 11 januari 2006 heeft het hof de beschikking van de rechtbank voorzover het de alimentatie voor de vrouw betreft vernietigd en, in zoverre opnieuw beschikkende, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 26 mei 1994, de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man in de periode van 25 januari 2005 tot 1 april 2005 op € 1.448,52 per maand bepaald en met ingang van 1 april 2005 op nihil.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en terugverwijzing naar het hof te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Bij beschikking van 26 mei 1994 heeft de rechtbank te Arnhem tussen partijen, met elkaar gehuwd op 29 augustus 1969, echtscheiding uitgesproken, die is ingeschreven op 17 juni 1994. Bij die beschikking heeft de rechtbank, conform het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op ƒ 6.500,-- (€ 2.949,57) per maand. Voorts is bepaald dat de alimentatie jaarlijks, voor het eerst op 1 januari 1995, zal worden verhoogd met het prijsindexcijfer voor gezinsconsumptie.

3.2 In de beschikking waarvan thans beroep heeft het hof, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 26 mei 1994, de alimentatie voor de vrouw in de periode van 25 januari 2005 tot 1 april 2005 bepaald op € 1.448,52 per maand en met ingang van 1 april 2005 op nihil.

3.3 In eerste aanleg ging de rechtbank ervan uit dat de behoefte van de vrouw (in 2004) € 3.630,96 per maand beliep, zijnde € 2.949,57 (ƒ 6.500,--) per maand vermeerderd met de indexering. Ook het hof heeft (rov. 3 van de beschikking) aangenomen dat de behoefte van de vrouw (in 2004) € 3.630,96 per maand beliep. In dezelfde rechtsoverweging gaat het hof ervan uit dat de vrouw thans een AOW-uitkering en een eigen pensioenuitkering ontvangt, dat zij daarnaast met ingang van 1 april 2005 tevens een deel ontvangt van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen, en dat het totaal van deze inkomsten van de vrouw € 2.949,57 bedraagt. Onderdeel 1 klaagt dat dit uitgangspunt van het hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het onderdeel slaagt. Terecht voert het aan dat uit de processtukken niet kan worden afgeleid dat de genoemde inkomsten in totaal € 2.949,57 bedragen en dat het ernaar uitziet dat het hof het bedrag van de behoefte van de vrouw ten tijde van de echtscheiding (in 1994) verward heeft met het totaalbedrag van haar inkomsten met ingang van 1 april 2005.

3.4 Onderdeel 2 betreft de inkomsten die de vrouw geniet uit verhuur van een deel van haar woning. De vrouw heeft betoogd dat zij reeds ten tijde van het totstandkomen van het echtscheidingsconvenant huurinkomsten genoot, dat daarmee bij de toen overeengekomen alimentatie rekening is gehouden, zodat in zoverre geen sprake is van een wijziging in de omstandigheden, en dat daarom de huidige huurinkomsten niet in mindering behoren te komen op haar behoefte. Het onderdeel klaagt dat het hof, dat bij de bepaling van de behoefte aan alimentatie van de vrouw wel rekening heeft gehouden met haar huurinkomsten, onvoldoende inzicht heeft gegeven in de redenering op grond waarvan het hof dit betoog heeft verworpen. Dit onderdeel faalt, omdat het miskent dat, indien er eenmaal een wijziging van omstandigheden is waardoor de eerdere alimentatieuitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet - zoals hier naar het oordeel van het hof in rov. 3 het geval is doordat de vrouw inmiddels AOW- en pensioeninkomsten heeft en een deel van het door de man opgebouwde pensioen ontvangt -, de alimentatierechter op grond van alle ten tijde van zijn beschikking bestaande relevante omstandigheden een nieuwe alimentatie moet vaststellen. Daarbij behoeft hij dus niet te onderzoeken of die omstandigheden ten opzichte van de vroegere omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat zij wijziging van de alimentatie rechtvaardigen. Anders ligt het in gevallen waarin de rechter zich in zijn eerdere alimentatie-uitspraak heeft aangesloten bij een alimentatieovereenkomst waarin de partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken (zie daarvoor HR12 september 2003, nr. R02/084, NJ 2004, 6), maar het hof is er kennelijk - en in cassatie onbestreden - vanuit gegaan dat een dergelijk geval zich hier niet voordoet. Het hof mocht dus rekening houden met de inkomsten van de vrouw uit verhuur, ongeacht of partijen daarmee reeds rekening hebben gehouden bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant.

3.5 Onderdeel 3 behoeft geen behandeling. Het verwijzingshof zal opnieuw moeten beslissen ook met betrekking tot de ingang van de gewijzigde alimentatie en de eventueel rijzende vraag of terugbetaling kan worden gevergd van de vrouw.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 januari 2006;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 19 januari 2007.