Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3889

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
21-02-2007
Zaaknummer
03638/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3889
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in appelakte op 21-7-04 adres X opgegeven. Een GBA-uittreksel van 24-5-05 houdt in dat verdachte vanaf 19-8-03 woonachtig was op adres Y en dat hij per 9-9-04 is “vertrokken naar Land onbekend”. AG zet in conclusie o.m. uiteen dat “vertrokken naar Land onbekend” in GBA niet per se betekent dat betrokkene naar enig buitenland is vertrokken en dat deze melding ook kan worden opgenomen als na onderzoek door gemeente niet is kunnen blijken dat de persoon nog verblijft op het adres van inschrijving. I.c. kan uit de enkele omstandigheid dat na opgave van adres in appelakte in GBA is aangetekend “vertrokken naar Land onbekend” niet de conclusie worden getrokken dat het bij de appelakte opgegeven adres achterhaald is, laat staan dat verdachte naar het buitenland is vertrokken. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2002, 317, rov. 3.24.b. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat is getracht de appeldagvaarding op het door verdachte bij de appelakte opgegeven adres uit te reiken. Gelet hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking genomen dat de stukken van het geding niets behelzen waaruit kan volgen dat dat adres t.t.v. de betekening van de appeldagvaarding als achterhaald zou moeten worden beschouwd, is ’s hofs kennelijke oordeel dat verdachte behoorlijk is gedagvaard niet zonder meer begrijpelijk. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, is onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 116
RvdW 2007, 254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2007

Strafkamer

nr. 03638/05

km/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 april 2005, nummer 23/000257-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Zwolle" te Zwolle.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 8 juli 2004 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de dagvaarding in hoger beroep niet juist is betekend.

3.2. De stukken van het geding houden wat betreft de procesgang in hoger beroep, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) een daarvan opgemaakte akte houdt in dat de verdachte op 21 juli 2004 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 8 juli 2004; die akte houdt voorts na de personalia van de verdachte in "wonende te [0000 AA] [woonplaats]" en "adres [a-straat 1]" en "post/verblijf/huidig adres [a-straat 1] [0000 AA] [woonplaats]";

(ii) een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2005 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te Amsterdam, "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is". Een eveneens aan het dubbel van die dagvaarding gehecht uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie (verder: GBA) van 24 januari 2005 houdt in dat de verdachte vanaf 19 augustus 2003 woonachtig was op de [b-straat 1] [0001 BB] [woonplaats] en dat hij op 9 september 2004 is "vertrokken naar Land onbekend".

(iii) op de terechtzitting van 20 april 2005 is de verdachte noch zijn raadsman verschenen en heeft het Hof verstek verleend tegen de verdachte. Het Hof heeft daarop contact opgenomen met verdachtes raadsman die evenwel verklaarde de verdachte niet te zullen bijstaan omdat hij geen contact meer met de verdachte heeft gehad.

(iv) het Hof heeft de verdachte vervolgens bij verstek veroordeeld; in het bestreden arrest is geen overweging gewijd aan de vraag of een afschrift van de dagvaarding is verzonden naar het genoemde adres in [woonplaats].

3.3. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de GBA noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op het uit de stukken blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals het adres dat de verdachte in de appelakte heeft doen opnemen (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.24 sub b).

3.4. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat is getracht de dagvaarding in hoger beroep op het door de verdachte bij de appelakte van 21 juli 2004 opgegeven adres [a-straat 1], [0000 AA] te [woonplaats] uit te reiken. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.3 en 3.4 is overwogen en in aanmerking genomen dat de stukken van het geding niets behelzen waaruit kan volgen dat dat adres in [woonplaats] ten tijde van de betekening van de appeldagvaarding als achterhaald zou moeten worden beschouwd, is het kennelijke oordeel van het Hof dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard niet zonder meer begrijpelijk. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, is onbegrijpelijk.

3.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep om doelmatigheidsredenen nietig verklaren.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 20 februari 2007.