Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3858

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
00927/06 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3858
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Tegenstrijdigheid in bewijsvoering. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij X opzettelijk van het leven heeft beroofd. Uit de bewijsmiddelen noch uit de nadere bewijsoverweging volgt dat het hof het oog heeft gehad op bij verdachte aanwezig voorwaardelijk opzet. Uit bewijsmiddel g volgt dat het de bedoeling van verdachte was om 3 mensen die in de richting van het huis renden, te overrijden. Uit bewijsmiddel g noch uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan evenwel zonder meer worden afgeleid of zich onder de 3 mensen die naar het huis renden, ook X bevond. De op dit punt bestaande tegenstrijdigheid in de bewijsmiddelen, die niet als van ondergeschikte betekenis kan worden aangemerkt, tast de toereikendheid van de bewijsmotivering aan. HR vernietigt in zoverre.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 103
RvdW 2007, 212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 februari 2007

Strafkamer

nr. 00927/06 A

KM/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 8 november 2005, nummer H-68/2005, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingplaats Curaçao van 23 februari 2005 - de verdachte ter zake van 1. "doodslag" 2. "poging tot doodslag" veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 15 juli 2004 op het eiland Curaçao, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, zijnde hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk met een motorrijtuig (pick-up) tegen [slachtoffer] aangereden, waardoor [slachtoffer] verwondingen (te weten, onder meer inwendige bloedingen) bekwam, tengevolge van welke verwondingen [slachtoffer] is overleden."

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op 15 juli 2004 omstreeks 19.05 uur werd de patrouille van ons wijkbureau gedirigeerd naar [A], gelegen te [a-straat 1], alwaar de verdachte, genaamd [verdachte], met zijn pick-up op een vrouw zou zijn ingereden.

De vrouw, die bleek te zijn genaamd [slachtoffer], geboren in Nederland op [geboortedatum] 1980, werd in zorgwekkende toestand naar het SEHOS vervoerd. Later ontvingen wij bericht dat de vrouw aan haar verwondingen was overleden."

b. een verslag van obductie voor zover inhoudende als verklaring van de patholoog G. Abreu de Martinez:

"Epicrisis: About a total of 800 cc of bloody fluid was found in the thoracical and abdominal cavities. Probable cause of death bleeding due to polytraumatism with left pelvic fracture and probably involving of iliac vein."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"Op de plaats waar de pick-up stond was te concluderen dat kort daarvoor een hoekpilaar had gestaan die als steun voor het balcon diende. Van de pilaar lagen in de naaste omgeving brokstukken. In de laadbak van de pick-up lag een witgeverfd brokstuk vermoedelijk afkomstig van de pilaar.

Op de betonnen stoep waren ook verse sporen te zien, waaruit kon worden afgeleid dat er een voorwerp hard tegenaan was aangekomen."

d. de verklaring van getuige [getuige 1] op l4 juni 2005 ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Het klopt dat [verdachte] mij - op de bewuste avond, toen ik met de meisjes Dominicaanse meisjes die bij mij in de bar werken langs de Soto snack reed - toeriep dat hij mij nodig had en dat hij bij mij zou komen. Ik had geen idee wat hij daarmee bedoelde, omdat hij niet iemand is waarmee ik sprak. Ik had trouwens nooit eerder met hem gesproken.

Op die avond was ik in mijn huis dat hoger gelegen is dan de bar. Ik hoorde veel lawaai dat van de bar kwam. Ik zag [verdachte] voor de bar staan. Ik liep toen naar de bar en de meisjes die voor mij in de bar werken zeiden tegen mij:"Die man doet vervelend." Ik zei tegen mijn dochter, die aan een tafel met een vriend zat te dominoën, om naar mijn woning te gaan.

Ik liep de bar in en [verdachte] begon mij uit te schelden. Ik vroeg hem wat er aan de hand was en of hij problemen was komen zoeken. Hij bleef mij uitschelden. Er trad een dame de bar in die tegen mij zei dat ik de politie moest bellen. Ik vroeg [verdachte] om van daar weg te gaan.

[Verdachte] zei tegen mij dat hij wilde weten waarom ik hem niet mocht. Ik antwoordde hem dat ik niet hield van de dingen die hij deed. Ik ging achter de toonbank staan. Hij gaf mij een duw en ik duwde hem toen terug. Hij zei toen tegen mij: "Vandaag zul je te weten komen wie Korsou grandi is". Er waren drie flessen op de toonbank. Ik pakte een fles waarin Saniflush zat en heb daarmee in het gezicht van [verdachte] gespoten. Saniflush is een wc.-reiniger waarmee ik de kalk van de wc's schoonmaak. Ik wist niet dat er 31,2 % zoutzuur, zoals ik u nu hoor zeggen, in de wc-reiniger zat. [Verdachte] is, nadat ik in zijn gezicht met dat spul had gespoten, naar buiten gerend. Buiten pakte hij een ijzeren staaf en deze heeft hij vervolgens naar mij gegooid.

Ik ben toen naar mijn woning, die op een afstand van ongeveer 200 tot 300 meter van de bar is gelegen, gerend.

Ik wilde naar het balkon, alwaar mijn dochter [slachtoffer] stond, gaan. Op gegeven moment reed [verdachte] achter mij aan. Ik zag mijn dochter achter een pilaar staan. [Verdachte] reed rechtdoor en maakte vervolgens een bocht bij de pilaar. Op geen enkel moment heeft [verdachte] geremd. Voordat ik tegen mijn dochter de woorden "[slachtoffer] ren" kon zeggen, had [verdachte] haar al doodgereden.

Toen ik [verdachte] zag komen aanrijden, ben ik naar binnen gerend. Ik was bang dat hij mij - omdat hij boos op mij was - met zijn pick up zou raken. Als ik buiten of bij mijn dochter had blijven staan, zou ik nu dood zijn."

e. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 juni 2005, voor zover inhoudende:

"Op het moment dat [getuige 1] met een wc-reiniger in mijn gezicht spoot had ik ontzettend pijn. Ik weet dat ik met een ijzeren staaf heb gegooid en dat ik daarna ben weggereden."

f. een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 15 juli 2004 ging ik omstreeks 18.00 uur met [betrokkene 1] in de witte pickup van "Koop" naar de [A]. Daar bestelde ik een biertje voor ons. Wij werden bediend door de Dominicaanse achter de bar. Hierna vroeg ik aan [getuige 1] waarom ze me altijd zo boos aankijkt. Ik vroeg haar ook waarom ze rondvertelt dat ik niet welkom ben daar. Ze zei me daarop dat ze me niet mag en dat ik haar bar moest verlaten. Ik antwoordde haar dat we elkaar niet kennen en dat ze geen reden had om mij niet te mogen. Ze zei me opnieuw dat ik haar bar moest verlaten en dat ze anders de politie zou inschakelen. Ik zei dat ze dat maar moest doen omdat ik niets fout had gedaan.

Op een gegeven moment spoot [getuige 1] een vloeistof in mijn gezicht. Deze vloeistof trof me in de linker helft van mijn gezicht en ter hoogte van mijn linker bovenlijf. Meteen nadat ik de vloeistof in mijn oog kreeg begon ik mijn gezichtsvermogen te verliezen. Ik zag alles wazig.

Met mijn linkeroog zag ik helemaal niets meer. Ik voelde dat ik op het punt stond flauw te vallen. Ik vroeg aan [betrokkene 2] om mij iets te geven om mijn gezicht te wassen; mijn gezicht prikte erg.

Ik liep naar buiten naar mijn pick-up waar [betrokkene 2] mij een cup met een klein beetje bier gaf zodat ik mijn gezicht kon wassen. Mijn gezichtvermogen herstelde zich hierdoor iets. Hierna pakte ik een ijzeren staaf uit mijn pick-up die ik in de richting van [getuige 1] gooide, maar die haar niet raakte. [Getuige 1] bleef gewoon doorlopen. Ik werd nog kwader en besloot om in mijn pick-up te stappen. Ik startte mijn pick-up, zette deze in de richting van de vrouw [getuige 1] en trapte het gaspedaal in. Ik kan mij nog herinneren dat [getuige 1] op dat moment in de richting van haar woning liep. Ik had niemand meer daar buiten gezien. Ik ben toen tegen iets aangereden. Hierna voelde ik dat wederom iemand iets in mijn gezicht spoot. Ik ben toen rechts uit mijn pick-up gestapt en ben naar de wegzijde gelopen. Daar ben ik met iemand meegereden naar mijn ouderlijk huis."

g. een proces-verbaal van politie opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 5], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"De verdachte werd door ons overgebracht naar het wijkbureau en wij waren afwisselend belast met het toezicht op hem.

Plotseling (en naar het Hof begrijpt: ongevraagd) verklaarde de verdachte [verdachte] dat:

- hij een hevige woordenwisseling had gehad met de eigenares van de [A];

- hij tijdens de woordenwisseling met een prikkelende substantie in zijn gezicht werd gespoten;

- hij hierdoor op de grond viel;

- hij hierna terstond opstond en naar zijn pick-up liep;

- hij nauwelijks iets kon zien;

- hij vervolgens zijn pick-up startte;

- hij op dat moment drie mensen zag rennen in de richting van het huis achter de bar;

- hij met volle vaart in de richting van die mensen was gereden, met de bedoeling hen te overrijden;

- hij verder niets meer wist."

h. een proces-verbaal van politie opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen:

"Nadat de verdachte enkele malen geniest had wees hij met zijn geboeide handen in mijn richting en zei:

Ik ben klaar om mijn straf uit te gaan zitten. De eigenaar [getuige 1] van de bar heeft mij zo kwaad gemaakt dat ik besloot om hen met mijn pick-up te doden. Deze vrouw heeft mij tot tweemaal toe iets bijtends in mijn gezicht gespoten. Ik werd eerst bedwelmd. Toen ik weer bijkwam zei ik tegen [getuige 1] dat ik, [verdachte], weer terug was. Direct daarna gooide [getuige 1] weer dat bijtend iets in mijn gezicht. Het gelukte mij na een poosje de bar te verlaten. Ik besloot om hen met mijn pick-up dood te rijden. Ik stapte in mijn pick-up en zag drie personen ter hoogte van de woning van [getuige 1] en reed op hen in. Ik reed tegen de achterkant van de woning. Ik zag dat iemand gewond raakte. Ik ging vervolgens naar de woning van mijn moeder en vertelde daar wat er gebeurd was. Daarna ben ik terug gegaan naar de bar en heb mij overgegeven aan de politie.

De verdachte herhaalde die verklaring in bijzijn van de inspecteur [verbalisant 7] en zei meerdere malen: al die mensen moesten dood zijn. Ik had met die pick-up die woning moeten inrijden."

i. een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

"Ik ging op 15 juli 2004 omstreeks 18.00 uur naar de [A]. Aldaar bevonden zich op dat moment [verdachte] en [betrokkene 2], [getuige 1] en enkele Dominicaanse vrouwen en nog wat anderen die ik niet ken. [Betrokkene 2] en [verdachte] kwamen gelijk met mij aan bij die bar. Terwijl ik met [betrokkene 2] praatte hoorde ik [verdachte] en [getuige 1] heftig discussiëren. Ik kan niet zeggen wat daarvan de aanleiding was. Ik moet zeggen dat toen [verdachte] die bar binnen liep, [getuige 1] al tegen hem zei dat hij zich moest verwijderen. Dat hoorde ik haar weer zeggen tijdens die discussie. Ook hoorde ik dat [getuige 1] tegen [verdachte] zei dat ze de politie had gebeld. Ik zag verschillende keren hoe [getuige 1] de telefoon nam.

Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] achter de bar liep. Ik bleef niet naar hem kijken. Kort hierna kwam [getuige 1] bij mij en zei dat [verdachte] achter de toonbank sloeg waardoor zij een vloeistof in het gezicht van [verdachte] spoot.

[verdachte] liep hierop naar zijn pick-up en haalde een ijzeren staaf en liep daarmee in de richting van de bar.

[Getuige 1] rende de bar uit en ging in de richting van haar woning. [Verdachte] heeft haar niet met die staaf getroffen; hij gooide hem tegen de bar aan. [Verdachte] liep daarop naar zijn pick-up en startte die. Hij reed met volle vaart in de richting van de woning van [getuige 1]. Ik hoorde een harde knal. Ik liep naar de woning en zag dat de pick-up van [verdachte] op de achterstoep stond. [Verdachte] stapte uit en rende weg naar de hoofdweg. Hierna zag ik de dochter van [getuige 1] liggen."

j. een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Op 15 juli 2004 omstreeks 18.30 uur was ik in mijn woning gelegen schuin achter de [A]. Mijn dochter [slachtoffer] zat buiten op de stoep aan de oostelijke zijde van de bar. Zij zat aan tafel. Tevens zaten daarbuiten vier Dominicaanse vrouwen die bij de bar werken en ook de chauffeur die ze gebracht had. Ik kon vanaf mijn huis de bar zien en hoorde dat daar hard gepraat werd, alsof er een woordenwisseling was. Ik zag de man die ik ken als [verdachte], die met harde stem tegen de vrouwen aan het praten was terwijl hij met zijn handen in de lucht zwaaide. Ik heb [verdachte] in het verleden uit de bar weggestuurd omdat hij problemen in de bar veroorzaakte. Ik liep vervolgens naar de bar. Ik vroeg aan een van de vrouwen, [betrokkene 3], wat het probleem was en zij gaf mij te kennen dat [verdachte] hen zonder reden uitschold.

Toen [verdachte] mij gezien had begon hij mij ook uit te schelden. Ik schonk geen aandacht aan hem en stuurde mijn dochter en de vrouwen naar mijn woning. Ik bleef in de bar samen met de man genaamd [betrokkene 4].

[Verdachte] en zijn vriend bleven ook in de bar. Ik stond achter de toonbank en de mannen stonden voor de toonbank. [Verdachte] bleef op mij schelden. Op een gegeven moment vroeg [verdachte] aan mij waarom ik hem haat. Ik antwoordde hem dat ik hem inderdaad haat en dat ik niet wil dat hij mijn bar bezoekt. [Verdachte] werd hierop boos en er ontstond een woordenwisseling tussen hem en mij. Tijdens die woordenwisseling kwam [verdachte] achter de bar en duwde mij. Ik duwde terug. Toen kwam [verdachte] weer op mij af met vastberaden blik en zei tegen mij: "Kiko bo ta kere, awe bo ta sa ken ta Korsou Grandi." Ik voelde mij bedreigd en weerloos en om mij tegen [verdachte] te verdedigen nam ik vervolgens een fles inhoudende een substantie die ik gebruik om wc's te reinigen en ik spoot deze substantie in zijn gezicht.

Nadat [verdachte] de substantie in zijn gezicht gekregen had zag ik dat hij naar buiten liep en zijn gezicht met zijn handen vast hield. Terstond daarna zag ik dat [verdachte] langs de stoep van de bar kwam met een ijzeren staaf in zijn hand. Toen [verdachte] mij zag gooide hij deze staaf op mij af. De staaf raakte een tafel buiten en kwam daarna tegen de deur van de bar aan.

[Betrokkene 3] riep mij vanaf mijn woning om thuis te komen. Ik liep via de zijdeur de bar uit. Toen ik naar mijn woning liep draaide ik me om en zag dat [verdachte] in de witte pick-up stapte. Ik zag dat de pick-up iets achteruit reed en daarna met grote snelheid naar voren in de richting van mijn woning reed. Ik haastte mij en ging op de stoep van het huis dat achter mijn woning gelegen is staan. Toen ik naar mijn woning keek, zag ik dat mijn dochter tegen de pilaar van de woning geleund stond. Op dat moment zag ik dat de pick-up zonder te remmen tegen de pilaar botste. Ik rende daarheen en heb [verdachte] opnieuw met de substantie in zijn gezicht gespoten. [Verdachte] stapte uit en rende weg."

k. een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Op het moment dat [verdachte] in zijn pick-up stapte liep ik ten westen van mijn woning in de zuidelijke richting. Ik hoorde op dat moment dat de pick-up van [verdachte] met spinnende banden begon te rijden. Toen ik omkeek zag ik dat [verdachte] met volle vaart in mijn richting reed. Ik begon te rennen om mijzelf veilig te stellen. Toen [verdachte] op een afstand van ongeveer 10 meter van mij verwijderd was gelukte het mij om de stoep achter mijn huis op te rennen.

Ik weet zeker dat als ik niet had gerend en de stoep was opgelopen ik door [verdachte] was overreden."

l. een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

"Ik zag dat de man achter de toonbank kwam en [getuige 1] met zijn hand op haar borst duwde. [Getuige 1] heeft hem teruggeduwd en probeerde vanachter de toonbank weg te komen. Toen zag ik dat [getuige 1] twee stappen achteruit deed en van onder de toonbank een fles met inhoud in haar handen nam en daarmee in het gezicht van de man spoot. Toen zag ik dat de man naar buiten liep.

Terstond daarna zag ik dat de man met een ijzeren staaf in zijn hand in de richting van de bar kwam. De man gooide de staaf met kracht in de richting van [getuige 1]. De staaf kwam tegen de tafel en de deur terecht. De staaf heeft [getuige 1] niet getroffen. Daarna liep de dochter van [getuige 1], die in de tussentijd bij de woning was, naar de bar om te kijken wat er gaande was. Op dat moment liep de man naar zijn pick-up. Ik dacht dat hij weg ging. Wij liepen met ons drieën naar de woning van [getuige 1] en zagen plotseling dat de pick-up niet de hoofdweg nam maar het erf ten oosten van de bar waar wij liepen.

Toen begonnen wij naar het huis te rennen. Ik rende naar een huis ten westen van de woning van [getuige 1] en ging op een stoep staan. [Getuige 1] en haar dochter renden de andere kant op."

m. een proces-verbaal van politie voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

"Ik bevond mij heden op 15 juli 2004 omstreeks 19.15 uur in het huis gelegen ten zuiden van de woning van de bar van [getuige 1]. Ik hoorde harde stemmen vanuit de bar, die op een afstand van ongeveer 50 meter van mijn huis ligt. Ik merkte dat er een woordenwisseling in de bar was en ging in de deuropening van mijn huis staan en zag een man uit de bar komen die naar een witte pick-up liep die voor de bar stond en instapte.

Ik zag dat [getuige 1] uit de bar kwam en naar haar woning liep. Op dat moment zat de dochter van [getuige 1] op het looppad achter het huis.

Onmiddellijk daarna zag ik de pick-up waar de man in stapte met grote snelheid in de richting van het huis van [getuige 1] rijden en in de richting ging waar de dochter van [getuige 1] zat. Ik zag hoe de pick-up tegen de pilaar van het balcon van het huis botste en deze pilaar omver reed en tegen de dochter van [getuige 1] aanreed. Ik zag haar vallen. De bestuurder van de pick-up stapte daarna uit en liep weg."

3.2.3. Het Hof heeft onder het hoofd "Nadere bewijsoverweging" overwogen:

"Namens verdachte is met betrekking tot de feiten 1 en 2 het verweer gevoerd dat hij niet opzettelijk gehandeld heeft, maar dat hij door emotie gedreven tot impulsief handelen is gekomen.

Dat verweer wordt verworpen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in zijn auto is gestapt met de intentie om [getuige 1] en [slachtoffer] te doden en vervolgens nog steeds met die intentie op hen is ingereden. Daaruit volgt dat verdachte toen opzettelijk heeft gehandeld."

3.3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit gebruik heeft gemaakt van een deel van de verklaring van de verdachte dat niet redengevend is voor de bewezenverklaring. Met die klacht wordt kennelijk aan de orde gesteld de vraag of het Hof de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door opzettelijk met zijn pick-up tegen haar aan te rijden, voldoende met redenen heeft omkleed.

3.3.2. De Hoge Raad stelt voorop dat noch uit de gebezigde bewijsmiddelen noch uit de nadere bewijsoverweging volgt dat het Hof in zijn bewezenverklaring het oog heeft gehad op bij de verdachte aanwezig voorwaardelijk opzet.

3.3.3. Blijkens de nadere bewijsoverweging heeft het Hof aangenomen dat de verdachte in zijn auto is gestapt met de intentie om ook [slachtoffer] te overrijden. Uit het onder g genoemde bewijsmiddel volgt dat het de bedoeling van de verdachte was om drie mensen die in de richting van het huis renden, te overrijden. Uit het bewijsmiddel g noch uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan evenwel zonder meer worden afgeleid of zich onder de drie mensen die naar het huis renden, ook het slachtoffer [slachtoffer] bevond.

Immers, de bewijsmiddelen d en m houden in dat [slachtoffer] zich bij het huis bevond ten tijde van het rijden door de verdachte en dat zij toen dus niet in de richting van het huis rende.

Bewijsmiddel f houdt in dat het slechts [getuige 1] was die in de richting van de woning liep.

De bewijsmiddelen g en h houden omtrent het slachtoffer [slachtoffer] in dit opzicht niets in. Slechts uit het onder l genoemde bewijsmiddel zou kunnen volgen dat de pick-up mede achter het slachtoffer [slachtoffer] heeft gereden.

3.3.4. Deze tegenstrijdigheid, die in het licht van het geheel van de bewijsvoering niet als van ondergeschikte betekenis kan worden aangemerkt, tast de toereikendheid van de bewijsmotivering op het punt van het bewezenverklaarde opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer] aan.

De bestreden uitspraak is in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel slaagt derhalve.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw

wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 februari 2007.