Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3596

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
20-03-2007
Zaaknummer
00851/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3596
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onttrekking aan het verkeer bij vrijspraak. Het hof heeft verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. Bij gebreke van een bewezenverklaring is het hof ex art. 350 Sv dus niet toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit. Nu het hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft bevolen maar het bestreden arrest niets inhoudt omtrent de vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan art. 36b.1.3° Sr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 36b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 212
NJ 2007, 182
RvdW 2007, 347
NJB 2007, 843
NBSTRAF 2007/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 maart 2007

Strafkamer

nr. 00851/06 E

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 19 januari 2006, nummer 20/006223-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 juni 2004 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding primair en subsidiair tenlastegelegde, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft het bevel tot onttrekking aan het verkeer en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof, nu het de verdachte heeft vrijgesproken van het tenlastegelegde, voor het bevel tot onttrekking aan het verkeer niet heeft vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan.

3.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"primair:

hij op of omstreeks 02 juli 2002 te Eindhoven, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk ongeregistreerde farmaceutische specialités en/of farmaceutische preparaten, te weten 270 tabletten bevattende (de farmacologisch actieve substantie) sildenafil (citraat) (imitatie tabletten Viagra), ter aflevering in voorraad heeft gehad;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 juli 2002 te Eindhoven opzettelijk valse, vervalste of wederrechtelijk vervaardigde merken, te weten 270 (blauwe diamantvormige) tabletten met opdruk "VGR 50" en "Pfizer" en/of etiketten met het opschrift "VGR 50" en "Pfizer" en/of verpakkingsmateriaal met het opschrift "VGR 50" en "Pfizer", heeft ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd, verkocht, te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd, uitgedeeld en/of in voorraad heeft gehad."

3.2.2. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde en voorts overwogen:

"Onttrekking aan het verkeer

Bij gelegenheid van het onderzoek naar het feit waarvoor de verdachte is vervolgd, zijn de in de beslissing als zodanig te noemen flacons met tabletten in beslag genomen. Deze flacons met tabletten behoorden aan de verdachte toe, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Deze flacons met tabletten zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Uit de aard van het voorwerp volgt dat het kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven. Deze flacons met tabletten zullen aan het verkeer worden onttrokken."

3.2.3. De bestreden uitspraak houdt voorts, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Beslissing

Het hof:

(...)

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: negen witte flacons, met daarin telkens dertig tabletten."

3.3. Art. 36b, eerste lid onder 3°, Sr luidt, voor zover hier van belang:

"1. Onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen kan worden uitgesproken:

(...)

3° bij de rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan."

3.4. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde. Bij gebreke van een bewezenverklaring is het Hof in het kader van het beslissingsschema van art. 350 Sv dus niet toegekomen aan de vraag of sprake was van een strafbaar feit. Nu het Hof de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft bevolen maar het bestreden arrest niets inhoudt omtrent de vaststelling van enig strafbaar feit, is niet voldaan aan het vereiste van art. 36b, eerste lid onder 3°, Sr.

3.5. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing ter zake van de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 maart 2007.