Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3582

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
00490/06 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3582
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

HR wijst herzieningsaanvrage af mede onder verwijzing naar conclusie AG waarin gemotiveerd is uiteengezet dat en waarom de in de aanvrage aangevoerde omstandigheden noch afzonderlijk noch in samenhang bezien als een novum kunnen worden aangemerkt. Om die in de conclusie vermelde redenen acht de HR de aanvrage ongegrond. Ook de op 4-12-06 (na de conclusie) bij de HR binnen gekomen stukken behelzen geen novum. Dat brengt mee dat de aanvrage moet worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 12
RvdW 2007, 96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2007

Strafkamer

nr. 00490/06 H

CAW

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 26 juli 2004, nummer 22-000929/04, ingediend door mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 28 januari 2004 de aanvrager ter zake van 1. "opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar voor anderen te duchten is" en 2. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat op grond van zes aan de herzieningsaanvrage gehechte verklaringen die dateren van na de veroordeling door het Hof, aannemelijk is dat niet de aanvrager maar een ander de onder 1 bewezenverklaarde brandstichting heeft begaan.

2.3. Op 4 december 2006 zijn bij Hoge Raad nog aanvul-lende, kennelijk van de aanvrager afkomstige, stukken binnengekomen.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage zal afwijzen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Die omstandigheden worden hierna als novum aangeduid.

4.2. De Advocaat-Generaal heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom naar zijn oordeel de in de aanvrage aangevoerde omstandigheden noch afzonderlijk noch in samenhang bezien als novum kunnen worden aangemerkt. Om die in de conclusie vermelde redenen acht de Hoge Raad de aanvrage ongegrond. Ook de op 4 december 2006 bij de Hoge Raad binnengekomen stukken behelzen geen novum. Dat brengt mee dat de aanvrage moet worden afgewezen.

5. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 23 januari 2007.