Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3307

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
00886/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3307
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AU2469, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor het medeplegen van moord op een pasgeborene. Het hof verwierp het mede op de art. 8 en 14 EVRM gegronde beroep van verdachte (niet zijnde de moeder) op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van art. 290 en 291 Sr. HR: ’s Hofs oordeel dat de art. 290 en 291 Sr te dezen niet toepasselijk zijn is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 15
NJ 2007, 52
RvdW 2007, 93
NJB 2007, 276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2007

Strafkamer

nr. 00886/06

EC/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 12 september 2005, nummer 22/007612-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 november 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van moord" veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op de toepasselijkheid van de art. 290 en 291 Sr.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 17 oktober 2003 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade het zojuist uit [medeverdachte 1] geboren kind van het leven heeft beroofd, door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:

- meermalen een sjaal of een (hand)doek op de mond en/of het gezicht van het kind te drukken,

- meermalen de nek of het hoofd van het kind (om) te draaien,

- met een mes meermalen in de keel van het kind te snijden, en

- het kind vervolgens in een plastic tas te leggen en vervolgens in een gracht te gooien,

tengevolge waarvan voornoemd kind is overleden."

4.3. Het bestreden arrest houdt onder "Het beroep op de artikelen 290/291 WvS" het volgende in:

"De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, in weerwil van het bepaalde in artikel 292 WvS, een beroep toekomt op toepasselijkheid van de geprivilegieerde strafbepalingen van de artikelen 290/291 WvS. Daartoe is aangevoerd dat aan de moeder met toepasselijkheid van deze bepalingen tevens het recht op bescherming van artikel 8 EVRM is gegeven, welk recht weliswaar volgens het tweede lid van artikel 8 EVRM bij wet kan worden beperkt, maar welke beperking niet zover mag gaan dat deze het non-discriminatie gebod van artikel 14 EVRM doorkruist. De verdediging beroept zich in dit verband - naar het hof begrijpt - op een bij de verdachte bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt:

De wetgever heeft bij de artikelen 290/291 WvS ten gunste van de moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling respectievelijk ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, in de delictsomschrijvingen een wettelijke strafverminderingsgrond verdisconteerd. De strafverminderingsgrond is gelegen in de bedoelde bijzondere gemoedstoestand, die uit zijn aard slechts bij de moeder kan bestaan en die een uitsluitend haar persoonlijk betreffende omstandigheid betreft. Niet is in te zien dat deze wettelijke strafverminderingsgrond in enigerlei opzicht in relatie staat tot het recht op respect voor het privéleven en het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, dat derhalve - ook bezien in relatie tot artikel 14 EVRM, welke bepaling geen rechtstreekse werking heeft - niet in het geding kan zijn.

Waar de verdachte zich beroept op een bij hemzelf bestaan hebbende vrees voor de ontdekking van de geboorte van zijn kind, overweegt het hof dat artikel 292 WvS, dat bepaalt dat de in de artikelen 290/291 WvS bedoelde misdrijven ten aanzien van anderen die er aan deelnemen als doodslag respectievelijk moord worden aangemerkt, onverlet laat dat het ter vrije beoordeling van de strafrechter staat de gemoedstoestand als door de verdachte bedoeld, indien aanwezig geacht, ten aanzien van de verdachte als strafverminderende factor aan te merken. Zoals (...) zal blijken, acht het hof deze gemoedstoestand bij de verdachte niet in relevante mate aanwezig, zodat in zoverre de verdachte ook geen belang heeft bij zijn verweer in deze."

4.4. Het oordeel van het Hof dat de art. 290 en 291 Sr te dezen niet toepasselijk zijn, is juist.

4.5. Het middel faalt.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 januari 2007.