Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3279

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
00388/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3279
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. “Overdraagt” ex art. 416.1.a. Sr. 2. Hof behoefde niet in te gaan op de door verdachte – die twee keer bij verstek is veroordeeld – bij politie afgelegde verklaring. 3. Toereikendheid strafmotivering en ontbreken van verweer verdachte. Ad 1. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte wat cocaïne aan een ander gaf in ruil voor een gestolen auto en dat verdachte deze auto vervolgens tegen betaling van € 50,- aan de eigenaar wilde teruggeven. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen getuigt het door het hof bevestigde oordeel van de pr niet van een onjuiste uitleg van de term “overdraagt” ex art. 416.1.a Sr. Ad 2. Het middel klaagt dat het hof voorbij is gegaan aan de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte dat hij de auto onder zich heeft genomen om deze aan de eigenaar terug te geven. In aanmerking genomen dat door of namens verdachte – die in geen van beide feitelijke instanties is verschenen – geen verweer is gevoerd, is voormeld oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. 3. Gelet op wat de algemene ervaring leert omtrent de schade en de overlast die worden veroorzaakt door misdrijven als i.c. en in aanmerking genomen dat door of namens verdachte niet is aangevoerd dat en waarom zulks in het onderhavige geval anders zou zijn, is de strafoplegging naar de eis der wet met redenen omkleed.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 113
NJ 2007, 264 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2007, 242
NJB 2007, 600
NBSTRAF 2007/124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2007

Strafkamer

nr. 00388/06

SY/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 oktober 2005, nummer 22/001601-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 23 februari 2005, waarbij de verdachte is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde gekwalificeerd als "opzetheling" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M. Bouman, advocaat te Delft, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het Hof in zoverre, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat de Politierechter en het Hof ten onrechte hebben geoordeeld dat de verdachte een goed heeft overgedragen in de zin van art. 416, eerste lid onder a, Sr.

4.2.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte subsidiair tenlastegelegd:

"dat hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2004 tot en met 1 november 2004 te Delft, in elk geval in Nederland, een auto, merk Saab (kleur blauw) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

4.2.2. Daarvan is bewezenverklaard:

"dat hij in de periode van 30 oktober 2004 tot en met 1 november 2004 te Delft, een auto, merk Saab (kleur blauw) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

4.2.3. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Hedenochtend hoorde ik van [betrokkene 1] dat hij in het bezit was van een gestolen auto. Ik heb [betrokkene 1] wat cocaïne gegeven. Hij was hiermee ingenomen en hij had verder geen bezwaar, dat de auto teruggegeven werd aan de eigenaar. Ik heb vervolgens telefonisch contact opgenomen met de eigenaar en hem medegedeeld, dat ik hem zijn auto wilde teruggeven. We hebben afgesproken op een locatie. Ik heb hem wel verteld, dat ik onkosten voor hem gemaakt had. Ik wist dat de auto van diefstal afkomstig was."

b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Ik ben de eigenaar van de blauwe Saab 9-5.

Op 30 oktober 2004 parkeerde ik mijn voertuig op de parkeerplaats te Delft. Ik sloot mijn voertuig af. Toen ik terug kwam bij de plek waar ik mijn voertuig had geparkeerd zag ik dat mijn voertuig was verdwenen."

c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voor zover inhoudende

- als verklaring van [betrokkene 2]:

"Op 1 november 2004 luisterde ik mijn voicemail af en hoorde de volgende tekst: Hoi met [verdachte] ik heb iets van je gevonden. Het is je autootje. Je moet hem komen halen en wel snel. Hij vertelde mij zijn adres [a-straat 1] in [plaats]. Hij deelde mij mede dat als ik hem 50 euro zou betalen ik de auto mee kon nemen. Ik ben toen met twee agenten naar de [a-straat 1] te [plaats] gegaan. Alhier werd ik door [verdachte] aangesproken. Toen ik hem zag wees hij naar mijn auto. Hij gaf mij de autosleutel. Alhier kwamen de twee agenten aanrijden en hebben [verdachte] als verdachte aangehouden."

- als relaas van de verbalisant:

"Aan het bureau heb ik de voicemail afgeluisterd van de aangever. De tekst van de voicemail die is ingesproken door [verdachte], is conform de tekst die hierboven in de verklaring is omschreven. Ik verbalisant herkende de stem van [verdachte] via de voicemail als de stem van de aangehouden verdachte."

4.3. Art. 416, eerste lid onder a, Sr luidt, voor zover hier van belang:

"Als schuldig aan opzetheling wordt gestraft (...):

a. hij die een goed (...) overdraagt (...) terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed (...) wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof."

4.4. De subsidiaire tenlastelegging is toegesneden op art. 416, eerste lid onder a, Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "heeft overgedragen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de in die bepaling voorkomende uitdrukking "overdraagt".

4.5. Het overdragen in de zin van genoemde wetsbepaling omvat volgens de Memorie van Toelichting alle handelingen die tot gevolg hebben dat iemand de feitelijke zeggenschap over een goed overdraagt. (Kamerstukken II 1989-1990, 21 565, nr. 3, blz. 3-4).

4.6. Gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen getuigt het door het Hof bevestigde oordeel van de Politierechter niet van een onjuiste uitleg van de term "overdraagt" als bedoeld in evengenoemde wetsbepaling. Voor zover het middel mede beoogt te klagen over de strafbaarverklaring van het bewezenverklaarde, faalt het eveneens. In aanmerking genomen dat door of namens de verdachte - die in geen van beide feitelijke instanties is verschenen - geen verweer is gevoerd, is dat oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

4.7. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt over de motivering van de opgelegde straf.

5.2. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand. Ter motivering van deze strafoplegging heeft de Politierechter in het door het Hof bevestigde vonnis het volgende overwogen:

"Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft slechts oog gehad voor zijn financiële gewin en heeft zich op geen enkel moment bekommerd om de financiële schade en overlast die hij heeft veroorzaakt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat hij, blijkens een op zijn naam staan uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 2 november 2004, veelvuldig voor soortgelijke feiten is veroordeeld."

5.3. Gelet op wat de algemene ervaring leert omtrent de schade en de overlast die worden veroorzaakt door misdrijven als de onderhavige en in aanmerking genomen dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat en waarom zulks in het onderhavige geval anders zou zijn, is de strafoplegging naar de eis der wet met redenen omkleed.

5.4. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 februari 2007.