Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3091

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
R05/004HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Ontruimingsbescherming, ontvankelijkheid van een voorwaardelijk verzoek van de huurder op de voet van art. 7:230a BW. Procesrecht; niet-ontvankelijk zelfstandig verzoek dat in hoger beroep voor het eerst is gedaan; ontvankelijkheid cassatieberoep, vermelding in rekest van in hoger beroep na fusie verdwenen rechtspersoon, geen belang bij beroep op onjuiste tenaamstelling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 362
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 316
RvdW 2007, 488
NJB 2007, 1122
JWB 2007/173
JBPR 2007/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 mei 2007

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/004HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

JACZON B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,

t e g e n

KONMAR B.V.,

gevestigd te Oude-Amstel,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij een voorwaardelijk geformuleerd verzoekschrift krachtens art. 7:230a BW van 30 oktober 2003 heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: Konmar - zich gewend tot de rechtbank te 's-Gravenhage en primair verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek op grond van art. 7:230a BW en subsidiair, voor zover geoordeeld zou worden dat de huurovereenkomst tussen haar en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: Jaczon - door opzegging is geëindigd, voorwaardelijk verzocht de termijn waarbinnen ontruiming van de bedrijfsruimte moet plaatsvinden te verlengen tot één jaar, derhalve tot 1 september 2004.

Jaczon heeft het verzoek bestreden.

De rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 2004 Konmar niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek op grond van art. 7:230a BW.

Tegen deze beschikking heeft Jaczon hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 8 oktober 2004 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en voor recht verklaard dat voor de periode vóór 1 augustus 2003 de overeenkomst van 1 september 1982 tussen partijen geen huurovereenkomst is en bepaald dat de rechtbank zich in eerste aanleg reeds om die reden niet ontvankelijk had dienen te verklaren in het door Konmar in eerste aanleg ingediende verzoek om ontruimingsbescherming.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft Jaczon beroep in cassatie ingesteld. Konmar heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Konmar heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring althans verwerping van het principale beroep.

Jaczon heeft met betrekking tot het eerste onderdeel van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep geconcludeerd tot verwerping en met betrekking tot het tweede en derde onderdeel van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep tot referte.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Konmar - die terecht niet heeft aangevoerd dat art. 7:230a lid 8 BW in de weg zou staan aan de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, nu immers in de beschikking van het hof slechts vragen zijn beslist die buiten het toepassingsgebied van art. 7:230a BW vallen - heeft betoogd dat het cassatieberoep van Jaczon niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat Konmar, naar Jaczon ten tijde van het instellen van het cassatieberoep wist, door fusie had opgehouden te bestaan en dat haar vermogen onder algemene titel was overgegaan op Laurus Nederland BV als verkrijgende vennootschap. Dit betoog treft geen doel aangezien, gelet op hetgeen namens Konmar voor het hof was aangevoerd omtrent de fusie, voor Konmar/Laurus en haar advocaat (die voor het hof de procureur van Konmar was) aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat met de vermelding van 'Konmar' zowel in de aanduiding van de procespartijen in de beschikking van het hof als in het cassatieverzoekschrift werd gedoeld op de wederpartij van Jaczon in de vorige instanties en dat die wederpartij na de fusie Laurus Nederland BV is. Een in rechte te respecteren belang bij het beroep op de onjuiste tenaamstelling van de belanghebbende wederpartij in het cassatieverzoekschrift ontbreekt dan ook, zodat het beroep op niet-ontvankelijkheid dient te worden verworpen (vgl. HR 27 mei 2005, nr. C04/290, NJ 2006, 598 en HR 25 november 2005, nr. C04/235, NJ 2006, 559). Overigens zal de Hoge Raad, in navolging van partijen, de verweerster in cassatie hierna blijven aanduiden als Konmar.

4. Uitgangspunten in cassatie

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Konmar heeft sinds 1 september 1982 een bedrijfsruimte van Jaczon gelegen aan de [a-straat] te [plaats] in gebruik, krachtens een als 'huurovereenkomst' betitelde overeenkomst. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat de overeenkomst ingevolge artikel 2 voor Jaczon niet opzegbaar is, en dat de overeenkomst in ieder geval vanaf 1 augustus 2003 als een huurovereenkomst in de zin van (de op die datum in werking getreden) titel 7.4 BW aangemerkt moet worden, die betrekking heeft op een bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 BW.

(ii) Bij brief van 29 augustus 2002 heeft Jaczon de overeenkomst tegen 31 augustus 2003 opgezegd en de ontruiming van het pand per gelijke datum aangezegd. Konmar heeft laten weten niet in te stemmen met de beëindiging van de overeenkomst.

(iii) Konmar heeft in eerste aanleg bij voorwaardelijk verzoekschrift van 30 oktober 2003 op de voet van art. 7:230a BW de rechtbank primair verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren omdat de huurovereenkomst niet voorziet in een opzeggingsmogelijkheid voor de verhuurder en omdat het gehuurde aangemerkt moet worden als bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW, en subsidiair verzocht de termijn waarbinnen ontruiming moet plaatsvinden te verlengen tot één jaar, derhalve tot 1 september 2004. De rechtbank heeft het primaire verzoek van Konmar toegewezen.

(iv) Jaczon heeft in hoger beroep aan het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen - kennelijk met afwijzing van de verzoeken van Konmar - en voorts: (primair) voor recht te verklaren dat de overeenkomst van 1 september 1982 geen huurovereenkomst is en dat de rechtbank "zich in eerste aanleg reeds om die reden niet ontvankelijk had dienen te verklaren" in het door Konmar ingediende verzoek om ontruimingsbescherming; (subsidiair) de opzeggingsbepaling aldus te converteren dat voor de verhuurder de mogelijkheid ontstaat om de overeenkomst door opzegging te beëindigen en voorts te bepalen dat de huurovereenkomst door de opzegging van 29 augustus 2002 is geëindigd op 31 augustus 2003; (meer subsidiair) op grond van onvoorziene omstandigheden de huurovereenkomst te ontbinden dan wel de gevolgen van de huurovereenkomst zodanig te wijzigen dat de huurovereenkomst wel door de verhuurder kan worden opgezegd, met bepaling dat de huurovereenkomst door rechtsgeldige opzegging is geëindigd op 31 augustus 2003; (meest subsidiair) de tussen partijen geldende opzeggingsregeling op grond van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 BW buiten toepassing te verklaren en te verklaren voor recht dat de overeenkomst door de opzegging van 29 augustus 2002 is geëindigd op 31 augustus 2003; (subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair:) telkens met bevel aan Konmar het gehuurde te ontruimen.

(v) Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd; het hof heeft voorts voor de periode vóór 1 augustus 2003 voor recht verklaard dat de overeenkomst van 1 september 1982 tussen partijen geen huurovereenkomst is en bepaald "dat de rechtbank zich in eerste aanleg reeds om die reden niet ontvankelijk had dienen te verklaren" in het door Konmar in eerste aanleg ingediende verzoek om ontruimingsbescherming; het hof heeft de proceskosten in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt, en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat Jaczon ontvankelijk is in het door haar ingestelde principale cassatieberoep. Blijkens het hiervoor onder 3 overwogene is aan die voorwaarde voldaan. De Hoge Raad vindt aanleiding eerst het incidentele beroep te bespreken.

5.2 Het hof heeft het primaire verzoek van Jaczon in hoger beroep ten dele toegewezen, namelijk voor de periode vóór 1 augustus 2003, en voor het overige (voor de periode vanaf 1 augustus 2003) de verzoeken van Jaczon afgewezen.

Het middel klaagt onder meer (onder 7 en 7.2) dat het hof heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het hof in strijd met art. 362 Rv. de door Jaczon in hoger beroep aangevoerde 'verzoeken' heeft onderzocht en daarop heeft beslist zoals hiervoor is weergegeven. De klacht is gegrond; het hof had de in het beroepschrift opgenomen verzoeken van Jaczon ambtshalve buiten behandeling moeten laten, nu Jaczon zich in eerste aanleg heeft beperkt tot verweer tegen de verzoeken van Konmar, en zij ingevolge art. 362 Rv. niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek kan doen (vgl. HR 16 april 2004, nr. R03/072, NJ 2004, 639).

5.3 Dit brengt mee dat de door het hof gegeven verklaring voor recht reeds hierom vernietigd moet worden en dat Konmar geen belang meer heeft bij beoordeling van de overige onderdelen van het middel in het incidentele beroep. Dit brengt voorts mee dat de grondslag voor de door het hof uitgesproken compensatie van proceskosten in hoger beroep wegvalt, en dat Jaczon - mede gelet op hetgeen hierna in het principale beroep wordt overwogen - als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6. Beoordeling van het middel in het principale beroep

6.1 Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof (rov. 11-14) dat aan toewijzing van de subsidiaire, meer subsidiaire en meest subsidiaire verzoeken van Jaczon voor de periode vanaf 1 augustus 2003 ten minste de eis moet worden gesteld dat voldaan is aan de voorwaarden waaronder een verhuurder van bedrijfsruimte waarop de bepalingen van art. 7:290 e.v. BW van toepassing zijn de huurovereenkomst kan beëindigen, en dat aan deze voorwaarden niet is voldaan zodat de gedane opzegging niet geldig is, art. 7:230a BW niet van toepassing is en Konmar niet-ontvankelijk is in haar inleidend verzoek. Volgens het middel is dat oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.

6.2 Vooropgesteld moet worden dat, niettegenstaande hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, de stellingen van Jaczon waarop haar (hiervoor in 4 onder (iv) weergegeven) 'verzoeken' steunden door het hof in ieder geval wél betrokken dienden te worden - zoals het hof kennelijk ook heeft gedaan - in zijn beoordeling van de inleidende verzoeken van Konmar, voor zover die stellingen (tevens) opgevat konden worden als verweer tegen die inleidende verzoeken. Met inachtneming daarvan moet het oordeel van het hof op dit punt aldus verstaan worden dat - al aangenomen dat de huurovereenkomst ondanks het bepaalde in art. 2 op één der aangevoerde gronden (conversie, onvoorziene omstandigheden, dan wel redelijkheid en billijkheid) wél opzegbaar zou zijn, en dienovereenkomstig ook rechtsgeldig door Jaczon opgezegd zou zijn - de ontruimingsbescherming van art. 7:230a BW in ieder geval niet van toepassing is. Dat oordeel is juist, gegeven het (in cassatie onbestreden) uitgangspunt dat in ieder geval vanaf 1 augustus 2003 sprake is van een huurovereenkomst welke betrekking heeft op een bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 BW. Het hof heeft derhalve het inleidende verzoek van Konmar - dat gebaseerd was op art. 7:230a BW en was ingediend na 1 augustus 2003 zodat het beoordeeld diende te worden naar de na die datum geldende rechtstoestand - terecht op deze grond niet-ontvankelijk geoordeeld, en de beschikking van de rechtbank terecht bekrachtigd. Voor zover onderdeel 1 van het middel daartegen opkomt, faalt het derhalve.

6.3 Voor zover het middel (in de onderdelen 2 en 3) erover klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op de zelfstandige verzoeken van Jaczon in hoger beroep voor zover deze betrekking hebben op de periode vanaf 1 augustus 2003, althans dat het hof die verzoeken ten onrechte of onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen, heeft Jaczon bij beoordeling van die klachten geen belang gelet op hetgeen hiervoor in 5.2 is beslist naar aanleiding van het incidentele beroep van Konmar.

6.4 Op het bovenstaande stuit het middel in zijn geheel af.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Jaczon in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Konmar begroot op € 333,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 oktober 2004, behoudens voor zover het hof de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage heeft bekrachtigd;

verklaart Jaczon niet-ontvankelijk in haar in hoger beroep gedane verzoeken;

veroordeelt Jaczon in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak begroot:

- in hoger beroep op € 1.783,--;

- in cassatie op € 2.245,38.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 4 mei 2007.