Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3089

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-01-2007
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
C06/135HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3089
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2520
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht, incident over de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie, betwisting van de door eiser gestelde hoedanigheden van procespartij; onduidelijkheden omtrent toepasselijk buitenlands erfrecht, HR gelast een schikkings- en inlichtingencomparitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 41
NJ 2007, 64
RvdW 2007, 106
NJB 2007, 320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 januari 2007

Eerste Kamer

Nr. C06/135HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende te [woonplaats], Frankrijk,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.J.A. Knijff.

1. Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar rov. 3.1 tot en met 4.8 van het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 januari 2006.

2. Het geding in cassatie

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 1 mei 2006 beroep in cassatie ingesteld tegen het (hiervoor onder 1 vermelde) tussen [betrokkene 1] - verder te noemen: de erflater - en verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gewezen arrest, met dagvaarding van [verweerder] om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad en onder aanvoering van een middel van cassatie.

[verweerder] heeft voor antwoord in cassatie doen zeggen dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar cassatieberoep, althans dat dit beroep moet worden verworpen.

Bij "verweerschrift tegen ontvankelijkheidsverweer" heeft [eiseres] onder overlegging van dertien producties het beroep op niet-ontvankelijkheid bestreden en geconcludeerd: primair dat de Hoge Raad alle ontvankelijkheidsverweren van [verweerder] zal verwerpen en subsidiair dat de Hoge Raad zal aangeven hetgeen nader bewijs behoeft, welke partij dit zal moeten leveren, welke bewijsmiddelen daartoe aangewezen worden geacht, en/of hoe respectievelijk wanneer zulk bewijs geleverd zal kunnen/moeten worden.

Ter terechtzitting van 22 september 2006 hebben partijen arrest gevraagd op het door [verweerder] voorgestelde ontvankelijkheidsverweer.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, een verschijning van partijen ter terechtzitting tot het geven van inlichtingen zal bevelen.

3. Beoordeling van het beroep op niet-ontvankelijkheid

3.1 [Eiseres] heeft volgens het daartoe strekkende exploot beroep in cassatie ingesteld in haar hoedanigheid van

(i) beneficiair testamentair erfgenaam,

(ii) executeur van de nalatenschap en

(iii) lasthebber van de zes kinderen en legitimarissen van de erflater, die op 1 januari 2006 te Isola in Frankrijk is overleden. De erflater had de Nederlandse nationaliteit, was ongehuwd en was de vader van de in de cassatiedagvaarding als zijn kinderen aangeduide personen.

3.2 Het arrest van het hof van 31 januari 2006 is gewezen tussen de erflater, als principaal appellant, incidenteel verweerder, en [verweerder], als principaal geïntimeerde en incidenteel appellant.

De erflater is bij dat arrest onder meer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis van de rechtbank Breda waarbij hij is veroordeeld tot betaling van een geldsom aan [verweerder].

3.3 Ter onderbouwing van zijn beroep op niet-ontvankelijkheid betwist [verweerder] allereerst de hoedanigheid van [eiseres] onder (i) op de grond dat niet vaststaat dat de erflater een (rechtsgeldig) testament heeft opgemaakt en [eiseres] daarin als erfgenaam is aangewezen. Daarnaast betwist hij dat [eiseres], als zij testamentair erfgenaam is, beneficiair heeft aanvaard. Wat de hoedanigheid van [eiseres] onder (ii) betreft, betwist [verweerder] dat [eiseres] rechtsgeldig tot executeur van de nalatenschap van de erflater is benoemd. Ten slotte bestrijdt [verweerder] de hoedanigheid van [eiseres] onder (iii) bij gebrek aan wetenschap dat de kinderen erfgenaam en legitimaris van de erflater zijn en, als dat wel zo is, beneficiair hebben aanvaard.

Volgens [eiseres] heeft de erflater haar bij testament van 7 september 1999 benoemd tot enig erfgenaam en uitvoerster van zijn uiterste wilsbeschikkingen en beredderaarster van zijn nalatenschap, en zijn er geen latere testamenten van de erflater bekend. Voorts heeft zij overgelegd een afschrift van het namens haar en de kinderen van de erflater bij de rechtbank te Fribourg, Zwitserland, ingediende verzoek van 31 januari 2006 inzake het voorrecht van boedelbeschrijving en een afschrift van de daarop gegeven beschikking van de president van die rechtbank van 10 april 2006. Ten slotte heeft [eiseres] een aantal schriftelijke verklaringen van de kinderen overgelegd ter staving van de hoedanigheid onder (iii).

3.4 Voorts strijden partijen over het op de erfopvolging toepasselijk (buitenlandse) recht.

[Eiseres] stelt dat op de erfopvolging het Zwiterse recht van toepassing is. Volgens haar heeft de erflater, zoals zou blijken uit de door [verweerder] over gelegde gerechtelijke bekendmaking en ambtelijke "Wohnsitzbestätigung" en de door [eiseres] overgelegde verblijfsvergunningen voor de erflater "Permis B" en "Permis C", vanaf medio 1998 tot de datum van zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats in [plaats] gehad, en heeft hij in zijn testament van 7 september 1999 uitdrukkelijk het Zwitserse recht op de erfopvolging en de afwikkeling van zijn nalatenschap van toepassing verklaard. [Eiseres] voert aan dat dit testament (vooralsnog) naar Zwitsers recht rechtsgeldig is en dat zij en de kinderen de nalatenschap rechtsgeldig beneficiair hebben aanvaard.

[Verweerder] meent dat de vraag naar het erfgenaamschap van [eiseres] en van de kinderen ingevolge art. 1 van de Wet conflictenrecht erfopvolging in verbinding met art. 3, lid 2, eerste zin, van het Haags verdrag inzake het recht dat van toepassing is op erfopvolging (Verdrag van 1 augustus 1989, Trb. 1994, 49, verder: HEOV) wordt beheerst door het Franse recht, omdat de erflater in ieder geval gedurende de laatste vijf jaren voor zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had in Frankrijk. Mocht dat anders zijn, dan is volgens [verweerder] toch het Franse recht van toepassing op grond van art. 3, lid 3, HEOV, omdat de erflater op het tijdstip van zijn overlijden nauwere banden had met Frankrijk dan met Nederland. Het Franse recht is dan ook van toepassing op de kwesties die gerekend moeten worden tot de afwikkeling van de nalatenschap zoals benoeming van een executeur en beneficiaire aanvaarding.

3.5 De Hoge Raad kan over het beroep op niet-ontvankelijkheid en de hiermee verband houdende onderwerpen die partijen, zoals uit het vorenstaande blijkt, verdeeld houden, niet beslissen zonder dat eerst een aantal vragen, zoals vermeld in de nummers 18-20 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is beantwoord en geschilpunten zijn opgehelderd, zoals dat betreffende de gewone verblijfplaats van de erflater in de laatste jaren voor zijn overlijden.

Daartoe zal een comparitie van partijen worden bevolen tot het geven van inlichtingen, welke comparitie tevens zal dienen tot het beproeven van een schikking op één of meer onderdelen van het geschil tussen partijen omtrent de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van [eiseres].

Gezien de door partijen tot dusver over en weer in cassatie overgelegde bescheiden acht de Hoge Raad geen termen aanwezig overeenkomstig het daartoe strekkend verzoek van [verweerder] [eiseres] te bevelen voorafgaand aan deze comparitie nadere stukken in het geding te brengen als vermeld in zijn conclusie van antwoord onder 20.

Ter comparitie van partijen zal - in ieder geval - worden besproken of en, zo ja, in hoeverre overeenstemming kan worden verkregen over het toepasselijke recht met betrekking tot de erfopvolging, de geldigheid van het in het geding zijnde testament en de afwikkeling van de nalatenschap, de beneficiaire aanvaarding en voorts over de inhoud van het toepasselijke recht dan wel over de weg waarlangs daarover (het best) inlichtingen kunnen worden ingewonnen, en zal aan de orde komen op welke wijze partijen, waar nodig, nader bewijs wensen te leveren, in het bijzonder ook met betrekking tot de gewone verblijfplaats van de erflater.

3.6 In afwachting van de uitkomst van de comparitie van partijen wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

beveelt een verschijning van partijen tot het geven van inlichtingen en tot het beproeven van een schikking als hiervoor in 3.5 vermeld ten overstaan van mr. A. Hammerstein, die daartoe wordt aangewezen als raadsheer-commissaris, in aanwezigheid van de Advocaat-Generaal mr. L. Strikwerda, ter terechtzitting op vrijdag 30 maart 2007, des ochtends te 11.00 uur in het gebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat 52 te 's-Gravenhage;

verzoekt partijen aanvullende bescheiden waarop zij zich wensen te beroepen, uiterlijk twee weken voor de datum van de terechtzitting aan de raadsheer-commissaris en de Advocaat-Generaal en aan elkaar toe te zenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 19 januari 2007.