Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ3085

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
C05/324HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ3085
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5199, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Kort geding. Executiegeschil over tenuitvoerlegging van een kortgedingvonnis met een bevel tot rectificatie van onrechtmatige - nodeloos diffamerende - uitlatingen op verbeurte van dwangsom, bescherming van goede naam van een ander, bij wet gerechtvaardigde beperking van de vrijheid van meningsuiting (art. 7 Grw. en 10 EVRM), toelaatbaarheid van aan rectificatie toe te voegen commentaar die deze ‘volledig ontkracht’; uitleg van de veroordeling, maatstaf.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 296
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 167
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 611
Grondwet
Grondwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 433 met annotatie van E.J. Dommering
JOL 2007, 148
RvdW 2007, 229
NJB 2007, 589
JWB 2007/69
JA 2007/71 met annotatie van L.R. van Harinxma thoe Slooten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 februari 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/324HR

RM/MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij vonnis van 9 september 2004 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - op straffe van een dwangsom onder meer veroordeeld tot rectificatie door middel van verzending van een brief met de hierna in 3.1 onder (iv) vermelde inhoud.

Bij brief van 14 september 2004 heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - [eiser] laten weten dat hij van mening is dat [eiser] niet naar behoren aan de veroordeling van het vonnis van 9 september 2004 heeft voldaan. Bij deurwaardersexploit van 4 oktober 2004 heeft [verweerder] aan [eiser] aangezegd aanspraak te maken op verbeurde dwangsommen.

[Eiser] heeft bij exploot van 25 oktober 2004 [verweerder] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd [verweerder] te bevelen de executie van het vonnis in kort geding van 9 september 2004 met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden, op verbeurte van een dwangsom.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 23 november 2004 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 27 september 2005 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg en tot toewijzing van de vordering van [eiser], met zodanige beslissing over de kosten van het geding als de Hoge Raad zal vermenen te behoren.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 24 mei 2004 heeft [eiser] een brief geschreven aan de Commissaris der Koningin in de provincie Noord-Brabant, met afschrift aan een groot aantal instanties en de media. In deze brief heeft [eiser] onder meer een kwestie aan de orde gesteld waarbij het echtpaar [het echtpaar], schoonfamilie van [eiser], zou zijn gedupeerd. Deze kwestie hield verband met het feit dat [verweerder] en [betrokkene 1] in onderhandeling waren getreden over het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot een perceel grond.

(ii) In de brief van 24 mei 2004 staan onder meer de volgende passages:

- het gebeuren neemt een aanvang met een poging van [verweerder] en [betrokkene 2] om het echtpaar [het echtpaar] te bedriegen;

- ondanks het feit dat in de procedure [verweerder] aantoonbaar de ene leugen op de andere stapelde en met name de mislukte misleidingspoging bol staat van door hem verkondigde onwaarheden...;

- dat ik [...] in een zevental punten niet slechts overtuigend aangetoond, maar ook bewezen heb dat [verweerder] onwaarheid sprak;

- zoals hiervoor aangegeven is [...] bewezen dat [verweerder] onder ede onwaarheid sprak.

(iii) Op 6 augustus 2004 heeft [verweerder] [eiser] in kort geding gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en onder meer een rectificatie gevorderd.

(iv) Bij vonnis van 9 september 2004 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de uitlatingen van [eiser] onrechtmatig waren jegens [verweerder], ongeacht het antwoord op de vraag of de verwijten van [eiser] gegrond waren. De voorzieningenrechter heeft [eiser], onder meer, op straffe van een dwangsom, veroordeeld tot rectificatie door verzending van een brief met de volgende inhoud (hierna: de rectificatie):

Geachte heer en mevrouw,

Op of omstreeks 24 mei 2004 zond ik u een brief dan wel een kopie van een brief met bijlagen aan de Commissaris van de Koningin in de provincie Noord-Brabant. In deze brief respectievelijk de bijlagen daarbij heb ik [verweerder], wonende te [woonplaats] aan de [a-straat 1], beschuldigd van misleiding, bedrog dan wel poging tot bedrog, van het spreken van onwaarheden, van liegen en onder ede plegen van meineed.

Op bevel van de voorzieningenrechter in de Rechtbank 's-Hertogenbosch rechtdoende in kort geding, rectificeer ik hierbij de beschuldigingen en kwalificaties jegens [verweerder] en bied hierbij mijn verontschuldigingen voor dit onrechtmatig handelen jegens hem aan.

In het vonnis is niet expliciet bepaald dat de rectificatie niet vergezeld diende te gaan van enig commentaar.

(v) Op 12 september 2004 heeft [eiser] degenen aan wie hij eerder de brief van 24 mei 2004 had gezonden, een brief gestuurd met de tekst zoals voorgeschreven in voormeld kortgedingvonnis, waaraan [eiser] commentaar heeft toegevoegd.

(vi) Bij brief van 14 september 2004 heeft [verweerder] [eiser] laten weten dat hij van mening is dat [eiser] niet naar behoren aan de veroordeling van het vonnis van 9 september 2004 heeft voldaan. Bij deurwaardersexploit van 4 oktober 2004 heeft [verweerder] aan [eiser] aangezegd aanspraak te maken op verbeurde dwangsommen.

3.2 In dit executiegeschil heeft [eiser] gevorderd dat aan [verweerder] zal worden bevolen de tenuitvoerlegging van het vonnis van 9 september 2004 te staken en gestaakt te houden. [Eiser] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de door [verweerder] aangevangen executie onrechtmatig is, nu [eiser] aan de veroordeling heeft voldaan. Naar zijn mening stond het hem op grond van de art. 7 Grondwet en 10 EVRM vrij commentaar aan de rectificatie toe te voegen.

De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Het stelde voorop dat de rechter kan verbieden dat aan een rechterlijk gebod tot rectificatie commentaar wordt toegevoegd, waartoe het zich beriep op HR 2 februari 1990, nr. 14043, NJ 1991, 291 (rov. 4.7). Het hof verwierp het standpunt van [eiser] dat een verbod tot het toevoegen van commentaar aan de door de voorzieningenrechter gelaste rectificatie in verband met art. 10 EVRM uitsluitend in expliciete vorm mogelijk is. Indien een rectificatie vergezeld gaat van zodanig commentaar dat de rectificatie volledig wordt ontkracht of de beschuldigingen onmiddellijk worden herhaald, is er in feite niet gerectificeerd (rov. 4.8). De in het arrest aangeduide passages in het begeleidend commentaar hebben de kennelijke strekking de geadresseerden ervan te doordringen dat [eiser] nog steeds achter zijn brief van 24 mei 2004 staat. De rectificatie is door de toevoegingen volledig ontkracht (rov. 4.9). Mitsdien heeft [eiser] niet voldaan aan het bevel tot rectificatie en heeft hij dwangsommen verbeurd (rov. 4.10).

3.3 Ter inleiding van de beoordeling van de middelen wordt het volgende overwogen.

Het gaat in dit geding om de vraag of [eiser], door commentaar toe te voegen aan de door de voorzieningenrechter gelaste rectificatie, behoorlijk uitvoering heeft gegeven aan het desbetreffende rechterlijk bevel, waaraan een dwangsom was verbonden. Beantwoording van deze vraag dient plaats te vinden door hetgeen ter uitvoering van het veroordelend vonnis is verricht, te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Bij die uitleg dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel (HR 20 mei 1994, nr. 15330, NJ 1994, 652).

3.4 In deze zaak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de uitlatingen van [eiser] onrechtmatig waren jegens [verweerder], ongeacht het antwoord op de vraag of de verwijten van [eiser] gegrond waren. Het gaat hier dus om uitlatingen die, ongeacht het waarheidsgehalte daarvan, onrechtmatig zijn geacht vanwege de nodeloos diffamerende wijze waarop de daarin geformuleerde mening is geuit. Het doel van de rectificatie was daarom de smet die op de reputatie van [verweerder] is geworpen, zoveel mogelijk te herstellen. Wilde dit doel worden bereikt, dan mocht de rectificatie niet worden gevolgd of voorafgegaan door mededelingen en/of commentaar waardoor de reputatie van [verweerder] opnieuw in diskrediet zou worden gebracht, omdat daardoor de rectificatie zou worden ontkracht. Het onderhavige bevel, naar doel en strekking uitgelegd, impliceerde dus uit zijn aard een zekere beperking van het in art. 7 Grondwet en 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Deze beperking is bij wet voorzien (gelet op de artikelen 3:296, 6:162 en 6:167 BW), en zij is om de voormelde reden in een democratische samenleving nodig in het belang van de bescherming van de goede naam van anderen. Gelet op enerzijds het gewicht dat in een democratische samenleving toekomt aan het recht op vrijheid van meningsuiting en de daarmee verband houdende, in art. 10 lid 2 EVRM besloten liggende, eis dat een beperking daarvan proportioneel moet zijn aan het daarmee nagestreefde doel, en anderzijds op de uit de rechtszekerheid voortvloeiende eis dat het bevel voldoende duidelijk moet zijn afgebakend, moet worden aangenomen dat slechts van een ontkrachting van de rectificatie kan worden gesproken wanneer in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat de toegevoegde mededelingen en/of commentaar dat gevolg hebben.

3.5 Het hof heeft vastgesteld dat de in zijn arrest aangeduide passages in het begeleidend commentaar dat onderdeel uitmaakt van de op 12 september 2004 door [eiser] verzonden brief, de kennelijke strekking hebben de geadresseerden ervan te doordringen dat [eiser] nog steeds achter zijn brief van 24 mei 2004 staat, en dat de rectificatie door de toevoegingen volledig is ontkracht. Deze oordelen worden door de middelen op zichzelf niet bestreden, zodat zij in cassatie mede tot uitgangspunt dienen. Dit leidt ertoe dat alle klachten die door de middelen naar voren worden gebracht, afstuiten op hetgeen hiervoor in 3.3 en 3.4 is overwogen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 februari 2007.