Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ2828

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
42718
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ2828
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vermogensetikettering, bewijsaanbod ten onrechte gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1289 met annotatie van Van Elk
FutD 2007-1324 met annotatie van Fiscaal up to Date
FED 2008/47
BNB 2007/296 met annotatie van P.H.J. Essers
Belastingadvies 2007/15.3
V-N 2007/34.15

Uitspraak

Nr. 42.718

13 juli 2007

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 30 september 2005, nr. BK 04/0105, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 185.103, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Na het verstrijken van de voor de motivering van het beroep in cassatie gestelde termijn heeft belanghebbende nog een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 9 oktober 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In de pleitnota voor het Hof heeft belanghebbende het volgende bewijsaanbod gedaan:

"Het feitelijk gebruik heeft vanaf 1975 steeds meer een privé-karakter. Praktisch gezien waren de ruimten door allerlei verbouwingen ook niet meer voor de zaak bruikbaar, hetgeen X en X-Y tijdens de zitting graag aan de hand van een tekening mondeling willen toelichten."

Blijkens het proces-verbaal van de zitting voor het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende opgemerkt:

"Ik heb diverse bescheiden bij mij waaruit het privé-gebruik van de begane grond blijkt."

3.2. Het Hof heeft omtrent dit bewijsaanbod geoordeeld:

"De omstandigheid dat de belanghebbende en zijn echtgenote ook privé gebruik maakten van ruimtes in het bedrijfsdeel - en daartoe onder andere de oude keuken uit het woondeel, beneden hebben herplaatst - staat aan de splitsbaarheid van het pand niet in de weg. Het door belanghebbende dienaangaande gedane bewijsaanbod zal het hof dan ook passeren."

3.3. Aldus heeft het Hof het passeren van het bewijsaanbod onvoldoende gemotiveerd. Te bewijzen aangeboden was niet alleen dat ruimtes op de begane grond van het onderhavige pand voor privédoeleinden werden gebruikt, maar ook dat die ruimtes door allerlei verbouwingen niet meer voor de zaak bruikbaar waren. Van die laatste te bewijzen aangeboden omstandigheid kan niet zonder meer worden gezegd dat zij niet van belang was voor de door het Hof te beantwoorden vragen of het onderhavige pand splitsbaar was en, zo nee, of de omvang van het woongedeelte in verhouding tot het bedrijfsdeel te gering was om het gehele pand tot het privévermogen te kunnen rekenen. De in middel II besloten liggende klacht over het passeren van het bewijsaanbod slaagt derhalve.

's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een geheel nieuwe behandeling van de zaak. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 42719 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1449, derhalve € 724,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2007.