Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ2592

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
C05/304HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ2592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht; onbevoegdheid schuldeiser. Verhaal als bedoeld in art. 6:33 BW door bank op rekeninghouder van in weerwil van een beslag op diens rekening uitbetaald saldo dat de bank nadien opnieuw aan de beslaglegger moest betalen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 53
RvdW 2007, 132
NJB 2007, 378
JWB 2007/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 januari 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/304HR

MK/GL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

ABN-AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - heeft bij exploot van 28 juli 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank 's-Gravenhage en gevorderd [eiser] te veroordelen om aan de Bank te betalen een bedrag van ƒ 16.193,68, vermeerderd met de overeengekomen rente van 19% per jaar over ƒ 13.896,08, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf 5 mei 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bij vonnis van 14 september 1999 heeft de rechtbank [eiser] bij verstek veroordeeld.

[Eiser] is bij dagvaarding van 19 oktober 1999 in verzet gekomen tegen het vonnis van de rechtbank van 14 september 1999 en heeft gevorderd dat hij zal worden ontheven van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij voormeld vonnis.

De Bank heeft bij conclusie van antwoord in oppositie haar eis gewijzigd en gevorderd van [eiser], op grond van een door haar aan [eiser] verrichte onverschuldigde betaling, een bedrag van ƒ 13.129,75, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag, dan wel het onbetaald gelaten gedeelte daarvan, vanaf de dag der oorspronkelijke dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

Bij vonnis van 19 december 2001 heeft de rechtbank het verstekvonnis van 14 september 1999 vernietigd en opnieuw rechtdoende, de vordering van de Bank afgewezen.

Tegen dit vonnis van de rechtbank heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 14 juli 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende, het verstekvonnis van 14 september 1999 vernietigd en [eiser] veroordeeld om aan de Bank tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 5.958,02 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juli 1999.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen Bank is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 1 december 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.