Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ2105

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
00238/06 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ2105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte staat op uitkijk, terwijl mededaders een man in zijn woning pinpas en pincode gaan afpersen, waarbij de man zich met zijn keukenmes verzet en door één van verdachtes mededaders met dat mes wordt gedood. In conclusie AG wordt het causaal verband tussen de poging tot afpersing en de dood van het slachtoffer betwijfeld. HR: Het hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verdachte zich in ieder geval bewust was van de aanmerkelijke kans dat de 2 mededaders die het huis van het slachtoffer zijn binnengegaan, geweld zouden gebruiken om het slachtoffer de gewenste zaken (waaronder de pincode) te doen afgeven, en dat hij, nu hij zich door de wetenschap dat het slachtoffer thuis was niet heeft laten weerhouden, deze kans ook heeft aanvaard. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat tussen de ten laste van verdachte en zijn mededaders bewezenverklaarde poging tot afpersing en de dood van het slachtoffer een zodanig verband heeft bestaan dat de dood redelijkerwijs a.g.v. die poging tot afpersing aan verdachte kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 133
NJ 2007, 263 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2007, 262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 februari 2007

Strafkamer

nr. 00238/06 J

SY/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 mei 2005, nummer 20/004143-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 27 oktober 2004 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "medeplegen van poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft" veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast moge voorkomen.

3. Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij verdachte, op 9 maart 2004 in de gemeente Brunssum, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en verdachtes mededaders, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een bankpas en van een pincode, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], met voornoemd oogmerk toen aldaar tezamen en in vereniging met anderen voornoemde [slachtoffer] opzettelijk heeft geduwd en met een mes in diens lichaam heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad."

3.2. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van H.J.C.M. Seegers:

"Ik ben huisarts van beroep. Gisterochtend, op 10 maart 2004, ben ik gebeld door de assistent van huisarts Vaessen. Op de [a-straat] zou een patiënt van mijn praktijk dood in de woning liggen. Ik ben daar naar toegegaan. Ik ben toen die woning [a-straat 1] via de achterzijde binnen gegaan. Op 10 maart 2004, omstreeks 9.50 ben ik die woning binnen gegaan. In de keuken zag ik een man liggen die was overleden. Ik herkende die man als [slachtoffer], een patiënt van mij."

b. een sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut, opgesteld en ondertekend door dr. R. Visser, arts en patholoog, voor zover inhoudende:

"Op 11 maart 2004 heb ik de uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927, gewoond hebbende te [woonplaats] en dood aangetroffen te Brunssum op 10 maart 2004 te omstreeks 10.00 uur, teneinde na te gaan de oorzaak van diens dood en hetgeen verder van belang mocht blijken.

Bij onderzoek van het lijk van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1927, is het navolgende gebleken:

A. Het was een lijk van een oude man met:

D. 3 bijeengelegen steekletsels in de rechter flank, hoofdwaarts verlopend, doorheen de onderhuidse weefsels en spiermassa's tot juist in het in de rechter nier omgevende vetweefsel.

E. Een steekletsel in de rechts/voorwaartse zijde van de borst met een steekkanaal, verlopend door de borstwand tot in de rechterlong.

F. een steek-/snijletsel in de hals met een steek-/snijkanaal verlopend nekwaarts en links zijwaarts, met klieving van onder meer de onderhuidse weefsels, halsslagader, diepe halsader, slokdarm met klieving van de rechter grote hoorn van het strottenhoofd. In de omgeving veel bloed(uitstorting).

Het sub F. genoemde steek-/snijletsel leidde tot klieving van onder meer belangrijke structuren, zoals slagader, diepe ader, luchtweg en slokdarm en ging gepaard met massale bloeduitstorting. Dit letsel was op zich zonder meer dodelijk.

Conclusie:

Bij [slachtoffer], oud 77 jaren, kon het intreden van de dood worden verklaard door bij sectie gebleken steek- en steeksnijverwondingen (met name ter plaatse van de keel), gepaard gaande met massaal bloedverlies, inademing van bloed en weefselschade."

c. een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

"Op 5 maart heb ik ingebroken in de woning van [slachtoffer]. Ik was toen alleen. Ik heb toen bankafschriften van [slachtoffer] gezien waaruit bleek dat er veel geld op de rekening van [slachtoffer] stond. De maandag na de inbraak heb ik met [medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2]) het plan opgevat om [slachtoffer] te overvallen.

[Medeverdachte 2] zei toen dat hij aan [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3]) en [verdachte] zou vragen om mee te doen. We wilden die man overvallen en hem om zijn pinpas en de pincode vragen. [Medeverdachte 2] heeft met [verdachte] en [medeverdachte 3] gepraat. Op dinsdag 9 maart ontmoette ik [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] bij de auto van [medeverdachte 3]. Ik ben toen een bivakmuts en handschoenen voor mezelf en handschoenen voor [medeverdachte 3] gaan halen. [Medeverdachte 3] had zelf handschoenen. We zijn in de auto van [medeverdachte 3] gaan rondrijden en hebben toen afspraken gemaakt. We hebben gepraat over de verdeling. Ieder zou zijn deel krijgen. Ik zou samen met [medeverdachte 3] naar binnen gaan en [medeverdachte 2] en [verdachte] zouden op de wacht gaan staan. Als er iets zou zijn, zouden ze ons bellen. [Medeverdachte 2] heeft mij gebeld toen die man dood was. Hij belde met zijn telefoon, of als hij geen beltegoed had, met de telefoon van [medeverdachte 3]. We hebben de auto in de buurt neergezet bij de friture. We zijn met zijn vieren langs de woning van [slachtoffer] gelopen en we zagen hem zitten. Die man zat toen voor zijn TV. We hebben toen afgesproken hoe we het het beste konden aanpakken. We besloten achterom te gaan omdat we aan de voorkant gezien konden worden. [Medeverdachte 2] ging op de hoek van [a-straat] met de [b-straat] staan en [verdachte] ging staan bij het paadje naar de achterzijde van de woningen aan [a-straat]. [Medeverdachte 3] en ik gingen naar de achterzijde van de woning. Toen heb ik aangeklopt. Na twee keer kloppen en toen heeft [slachtoffer] de deur opengemaakt. Ik heb [slachtoffer] toen naar binnen geduwd en toen begon hij te schreeuwen. Ik schrok en toen heb ik hem de mond dichtgedaan. Ik had [slachtoffer] vast en begon met zijn handen van zich af te slaan. Ik had hem vast toen [medeverdachte 3] de woonkamer binnenging. [Slachtoffer] greep toen een mes van het aanrecht. Ik stond toen achter hem. Ik pakte het mes af en heb van mij afgestoken. Ik raakte [slachtoffer] eerst op de wang. [Slachtoffer] begon toen te schreeuwen en kwam naar mij toe. Ik heb hem toen gestoken. Ik raakte hem aan de linkerzijde van de hals. Hij viel en ik heb hem toen nog drie keer of zo in het lichaam gestoken. Nadat [slachtoffer] dood was, zag ik [medeverdachte 3] in de woonkamer staan. [Medeverdachte 3] zei dat hij 80 euro had en hij liet dat geld zien. [Medeverdachte 3] ging via de voordeur naar buiten. Ik ben toen door de achterdeur naar buiten gegaan. [Medeverdachte 2] en [verdachte] stonden daar samen. We zijn toen naar de auto gelopen en daar was [medeverdachte 3]. We zijn richting Schinveld gereden en hebben onderweg de handschoenen van mij en [medeverdachte 3] in een put gedaan. Mijn bivakmuts heb ik in een container gegooid. We spraken in de auto af wat ze zouden zeggen als de politie bij hen kwam. [Verdachte] en [medeverdachte 2] spraken af dat zij zouden zeggen dat zij samen waren en naar voetballen waren, dat zij mij niet gezien hadden. Later spraken zij af dat ze mij wel hadden gezien, maar dat ze alleen hoi zeiden. [Medeverdachte 3] en ik spraken af dat we elkaar niet zouden verraden. Wij wilden die man overvallen. Daarmee bedoel ik dat we die man zijn mond wilden houden en vragen om zijn pasje en de pincode."

d. een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

"[Medeverdachte 1] vertelde mij dat hij een dag eerder had ingebroken bij een man die naast hem woonde (hof: [slachtoffer]). [Medeverdachte 1] vertelde toen dat hij op bankafschriften had gezien dat er veel geld op de rekening (hof: van die [slachtoffer]) stond. [Medeverdachte 1] belde mij met de vraag of ik geld wilde verdienen. Ik had het vermoeden dat [medeverdachte 1] terug wilde gaan om het pasje te pakken."

e. een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3]:

"Op 9 maart 2004 ontmoette ik [medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2]). Hij zei me dat [medeverdachte 1] (hof: [medeverdachte 1]) die avond wilde gaan inbreken in een huis en hij, [medeverdachte 2], vroeg mij of ik mee wilde gaan. Later die avond vroeg ik aan [medeverdachte 1] waar hij wilde gaan inbreken, waarop [medeverdachte 1] tegen mij zei: bij zijn buren. [Medeverdachte 1] zei me dat [medeverdachte 2], [verdachte] (hof: de verdachte) en ik EUR. 1000 zouden krijgen welke wij dan onder ons drieën moesten verdelen. [Medeverdachte 2] en [verdachte] kwamen aanlopen en zij kwamen bij ons staan. [Medeverdachte 1] zei dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zouden kijken of er geen mensen aankwamen. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hun eerder afgesproken plaats innamen. Ik ben met [medeverdachte 1] doorgelopen. We hadden ook afgesproken dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zouden fluiten als ze mensen aan zagen komen. Ik ben weggerend tot ik uitkwam bij mijn auto. Ik zag eerder toen ik richting mijn auto liep, dat [medeverdachte 2] en [verdachte] aan kwamen lopen. Ik zag dat [medeverdachte 1] ook kwam lopen. [Medeverdachte 2] vroeg wat er gebeurd was. [Medeverdachte 1] zei dat die oude man thuis was en dat hij hem vermoord had. [Medeverdachte 2] en [verdachte] stapten in mijn auto en in de auto hebben we er nog over gepraat.

Ik heb toen eerst [verdachte] thuis afgezet en daarna heb ik [medeverdachte 2] thuis afgezet."

f. een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 9 maart 2004 kwamen [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) en ik [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tegen. [Medeverdachte 1] vroeg of wij met hen een woning wilde binnengaan. Hij zei dat zij alvast gingen en dat wij op de hoek moesten gaan staan wachten om op hen te wachten. [Medeverdachte 1] zei dat hij een geldbedrag had weggenomen uit de woning van [slachtoffer]. Dit was in ieder geval geen EUR. 20.000,-."

g. een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik zou op de uitkijk staan en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zouden naar binnen gaan, via de achterkant, via de achterdeur."

h. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Op de avond van 9 maart 2004 had ik training en na afloop ben ik (met) [medeverdachte 2] een eindje gaan lopen. Wij kwamen op een gegeven moment [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tegen. Zij vroegen aan [medeverdachte 2] en mij of wij mee wilde doen met een woninginbraak. Ik ben toen samen met [medeverdachte 2] met hen meegegaan om op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] te wachten als zij bezig waren. Ik heb op de hoek van de straat staan wachten tot zij terug zouden komen."

3.3. In de bestreden uitspraak heeft het Hof omtrent het bewijs het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van een gezamenlijk en vooropgezet plan om [slachtoffer] af te persen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft vanaf zijn eerste bekennende verklaring op 2 juni 2004 (doorgenummerde dossierpagina 2532 e.v.) consistent verklaard over zijn eigen rol en over de rol van zijn medeverdachten, waaronder de verdachte. De verklaring van [medeverdachte 1] vindt telkens op onderdelen bevestiging in de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2], in onderlinge samenhang bezien.

- Met betrekking tot onder meer de rol van de verdachte verklaart [medeverdachte 1] (verklaring bij de RC op 4 oktober 2004) - samengevat en zakelijk weergegeven -: dat hij op 5 maart 2004 in de woning van [slachtoffer] had ingebroken en op bankafschriften had gezien dat [slachtoffer] over een creditbedrag van EUR. 20.000 beschikte. Dat hij met [medeverdachte 2] had besproken dat ze geld nodig hadden en dat ze [slachtoffer] zouden gaan overvallen en hem zijn pinpas met bijbehorende pincode afhandig zouden maken. Dat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] en aan verdachte gevraagd heeft hen, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], te assisteren bij het afhandig maken van de pas en de code. Dat verdachte en zijn drie medeverdachten elkaar op 9 maart om ongeveer 8 uur in de avond ontmoetten en dat ze samen in de auto van [medeverdachte 3], de verdachte hebben rondgereden. Dat hij, [medeverdachte 1], een muts en handschoenen voor hemzelf en handschoenen voor [medeverdachte 3] is gaan halen en dat [medeverdachte 3] zelf over een bivakmuts beschikte. Dat ze vanaf 21.45 uur weer samen waren en dat [medeverdachte 2] en de verdachte eerst hebben getracht een auto te stelen die achter de woning van [medeverdachte 2] stond en waarvan de verdachte eerder de sleutels had gestolen. Dat hij, [medeverdachte 1], vanuit de auto van [medeverdachte 3], waarin hij samen met [medeverdachte 3] zat te wachten, kon zien dat de verdachte instapte en dat hij hoorde dat het alarm afging. (Hof: deze verklaring vindt bevestiging in de verklaring van [betrokkene 1] op 21 juni 2004 (doorgenummerde pagina 2242 e.v.) waarin deze meedeelt - samengevat en zakelijk weergegeven - dat op een dag in maart 2004 in Brunssum tussen 18.00 en 20.00 uur de contactsleutels uit zijn auto zijn weggehaald en dat hij later op de avond het alarm van zijn auto af hoorde gaan.) Dat [medeverdachte 2] en de verdachte weer naar de auto van [medeverdachte 3] kwamen en dat ze samen wegreden. Dat de afspraak toen gemaakt is dat hij, [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 3] de woning van [slachtoffer] binnen zouden gaan, dat één van [slachtoffer] zou vasthouden en de ander hem om de pas en de code zou vragen en dat [medeverdachte 2] en de verdachte op de uitkijk zouden staan. Dat ze, gevieren voordat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] naar binnen zouden gaan voor langs het huis van [slachtoffer] zijn gelopen en naar binnen hadden gekeken. Dat ze goed naar binnen konden kijken en [slachtoffer] tv zagen kijken. Dat hij, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] samen aan de achterkant van de woning het paadje naar de woning van [slachtoffer] opliepen, dat [medeverdachte 1] aanklopte en dat [slachtoffer] opendeed. Dat [medeverdachte 1] als eerste naar binnen ging en dat hij - nadat [slachtoffer] begon te schreeuwen hem de mond snoerde en dat [medeverdachte 3] toen de woning binnen kwam en direct doorliep naar de woonkamer. Dat hij [medeverdachte 1] - nadat [slachtoffer] zich heftig verzette - deze met messteken om het leven heeft gebracht en dat [medeverdachte 3] toen de keuken in kwam lopen. Dat ze elkaar gevieren weer troffen bij de auto van [medeverdachte 3] en dat ze naar Schinveld zijn gereden alwaar ze zich hebben ontdaan van de bivakmutsen en de handschoenen.

- [Medeverdachte 2] verklaart op 22 mei 2004 (doorgenummerde pagina 2589 e.v.) - samengevat en zakelijk weergegeven -: dat [medeverdachte 1] op 6 maart vertelde dat hij de dag ervoor had ingebroken in de woning van [slachtoffer] en dat hij, [medeverdachte 1], had gezien dat die [slachtoffer] veel geld op zijn bankrekening had en dat [medeverdachte 1] aan hem, [medeverdachte 2] had gevraagd of hij geld nodig had en dat hij, [medeverdachte 2] vermoedde dat [medeverdachte 1] terug wilde gaan om het pasje te pakken.

- [Medeverdachte 3] verklaart op 2 juni 2004 (doorgenummerde pagina 2734 e.v.) - samengevat en zakelijk weergegeven -: dat [medeverdachte 2] op 9 maart 2004 zei dat [medeverdachte 1] die avond wilde gaan inbreken in een huis en dat [medeverdachte 2] vroeg of hij, [medeverdachte 3] meeging. Dat hij, [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 1] vroeg waar hij wilde gaan inbreken en dat [medeverdachte 1] zei: bij zijn buren. Dat [medeverdachte 1] zei dat hij, [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [verdachte], de verdachte Eur. 1000,- zouden krijgen welke ze dan onder hen drieën moesten verdelen. Dat [medeverdachte 2] en de verdachte zich bij hen, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voegden en dat [medeverdachte 1] zei dat [medeverdachte 2] en de verdachte zouden kijken of er geen mensen aankwamen. Dat hij zag dat [medeverdachte 2] en de verdachte hun eerder afgesproken post innamen. Dat ze hadden afgesproken dat [medeverdachte 2] en de verdachte zouden fluiten als ze mensen aan zagen komen. Dat toen hij weer bij zijn auto uitkwam, [medeverdachte 2] en de verdachte aan kwamen lopen. Dat [medeverdachte 2] en de verdachte in de auto zijn gestapt en dat ze in de auto er nog over hebben gepraat. Dat hij, [medeverdachte 3], de verdachte thuis heeft afgezet.

- De verdachte verklaart op 28 mei 2004 (doorgenummerde pagina 2676 e.v.) - samengevat en zakelijk weergegeven -: dat [medeverdachte 2] en hij, de verdachte, op de avond van 9 maart 2004 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tegenkwamen en dat hij, de verdachte, hoorde dat [medeverdachte 1] een geldbedrag uit de woning van [slachtoffer] had weggenomen, maar dat dit in ieder geval geen EUR. 20.000,- was. Het hof merkt hierbij op dat de verdachte dit bedrag niet op een andere manier kon noemen dan dat hij op de hoogte was van het feit dat was gezien dat het slachtoffer dit bedrag op zijn bankrekening had staan.

- Op 17 juni 2004 verklaart de verdachte (doorgenummerde pagina 2694 e.v.) - samengevat en zakelijk weergegeven -: dat hij alleen op de uitkijk zou staan en dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naar binnen zouden gaan en dat zij door de achterdeur naar binnen zouden gaan.

- De verdachte verklaart ter terechtzitting in hoger beroep - samengevat en zakelijk weergegeven -: dat hij op de avond van 8 maart 2004 in Brunssum een rondje liep, samen met [medeverdachte 2] en dat ze op straat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] troffen. Dat aan hem gevraagd werd mee te doen met een woninginbraak. Dat hij is meegegaan en dat hij buiten de woning heeft staan wachten.

De verklaring van de verdachte dat hij zou meedoen aan een inbraak (en dus niet aan een afpersing) vindt zijn weerlegging in bovenstaande verklaringen in onderling verband bezien."

3.4. In aanvulling op het hiervoor onder 3.2 sub c weergegeven bewijsmiddel heeft het Hof nader met betrekking tot het bewijs overwogen:

"Onder het kopje "bijzondere overweging met betrekking tot het bewijs" in het verkort arrest, d.d. 2 mei 2005, is abusievelijk opgenomen de verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd op 4 oktober 2004 bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van de rechtbank Maastricht. Deze verklaring is afgelegd in de strafzaken tegen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], medeverdachten van de verdachte.

Deze verklaring is niet aan het dossier van de verdachte toegevoegd en kan derhalve niet tot het bewijs dienen."

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het middel klaagt over de bewezenverklaring door het Hof voor zover deze inhoudt dat de verdachte het opzet had op de poging tot afpersing, welke de dood van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

4.2. Het Hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen, in samenhang met de (nadere) bewijsoverwegingen, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte zich in ieder geval bewust was van de aanmerkelijke kans dat de twee mededaders die het huis van het slachtoffer zijn binnengegaan, geweld zouden gebruiken om het slachtoffer het door hen gewenste te doen afgeven, en dat hij, nu hij zich door de wetenschap dat het slachtoffer thuis was niet heeft laten weerhouden, deze kans ook heeft aanvaard. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

4.3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat tussen de ten laste van de verdachte en zijn mededaders bewezenverklaarde poging tot afpersing en de dood van het slachtoffer een zodanig verband heeft bestaan dat de dood redelijkerwijs als gevolg van die poging tot afpersing aan de verdachte kan worden toegerekend.

4.4. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, op wie het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, heeft op 2 mei 2005 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde jeugddetentie;

Vermindert de duur daarvan in die zin dat deze elf maanden en één week, waarvan vier maanden voorwaardelijk beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 20 februari 2007.