Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ1776

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
41943
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ1776
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie PG

Aan ieder van de belanghebbenden is ter zake van een verkrijging uit de nalatenschap van hun oom in het jaar 2001 een aanslag in het recht van successie opgelegd. De verkrijgingen zijn conform de in artikel 24 Successiewet 1956 opgenomen tarieventabel belast naar het tarief dat geldt voor tariefgroep III. De aanslagen zijn opgelegd naar telkens een bedrag van ƒ g,-. De effectieve belastingdruk over ieders verkrijging beloopt 67,3 percent.

Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat heffing naar het tarief van tariefgroep III in strijd is met het discriminatieverbod van art. 26 IVBPR en 14 EVRM in verband met art. 1, Eerste Protocol bij het EVRM en dat heffing naar dat tarief in strijd is met het recht op eigendom zoals neergelegd in art. 1, Eerste Protocol bij het EVRM.

In de bijlage bij de conclusies komt de A-G tot de slotsom dat de wetgever de successierechtelijke positie van broers- en zusterskinderen ongelijk mocht achten aan die van verwanten van hogere graad en dat hij binnen de hem toekomende ruime marge voor beoordeling het tarief mocht vaststellen zoals hij heeft gedaan. Hij overweegt daartoe:

- dat weliswaar blijkt dat maatschappelijke ontwikkelingen gaande zijn waarbij onderscheiden tussen verwanten van verschillende graden in relatie tot de heffing van successierecht van minder gewicht worden geacht dan in het verleden het geval was, maar dat deze ontwikkeling niet zover is dat algemeen wordt geoordeeld dat de mate van verwantschap geen rol meer speelt bij de invulling van het zogenoemde buitenkansbeginsel;

- dat de successietarieven in andere Europese landen aantonen dat rekening houden met de mate van verwantschap bij de tariefstelling voor het successierecht geenszins ongewoon is, maar dat de verschillende landen uiteenlopende keuzes maken ten aanzien van de indeling van verwanten van verschillende graden en niet-verwanten in diverse tariefgroepen en in de daaraan verbonden tariefsverschillen;

- dat aan de wetgever bij beoordeling van de vraag welke gevallen al dan niet als gelijk moeten worden beschouwd, ruime vrijheid toekomt, zodat het hem ook vrijstond om de broers- en zusterskinderen met betrekking tot het successietarief op dezelfde wijze te behandelen als niet-verwanten en dat die keuze ook in verscheidene andere landen door de wetgever is gemaakt;

- dat van het door de Nederlandse wetgever gemaakte tariefonderscheid niet kan worden gezegd dat sprake is van een overduidelijke onevenredigheid als bedoeld door de Hoge Raad in BNB 1993/29 en dat hij het tarief ook niet verder hoefde te differentiëren dan hij deed;

- dat, nu de wetgever de indeling in tariefgroepen afhankelijk heeft gesteld van de verwantschapsgraad, de voor een belanghebbende in zijn geval bestaande verwachting van een buitenkans rechtens niet relevant is en er geen dwingende bepaling van verdragsrecht is die de wetgever verhindert die keuze te maken;

- dat naar het successietarief beoordeeld de positie van broers- en zusterskinderen niet alleen ongunstig is in vergelijking met die van de personen die in de tariefgroepen I en II zijn ingedeeld, maar ook in die zin dat het tarief in de beleving van veel mensen en in vergelijking met in andere landen gehanteerde tarieven hoog kan worden genoemd, maar dat de huidige stand van de rechtspraak inzake artikel 1, Eerste Protocol, EVRM geen houvast biedt voor een opvatting dat hier sprake is van een ontoelaatbare confiscatie.

De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd