Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ1706

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
03546/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ1706
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2002, 317. In aanmerking genomen dat uit de aan de HR ter beschikking staande stukken niet blijkt dat een afschrift van de appeldagvaarding is gezonden naar het door verdachte bij het instellen van appel opgegeven adres, is ’s hofs oordeel dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. HR verklaart om doelmatigheidsredenen de appeldagvaarding nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 17
RvdW 2007, 99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2007

Strafkamer

nr. 03546/05

km/CAW

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 mei 2001, nummer 22/001556-00, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 16 oktober 1996 - de verdachte ter zake van "enig gegeven verzwijgen, met het oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degene voor wie hij optreedt bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden, meermalen gepleegd" veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend.

3.2. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in.

a. Op 27 april 2000 is aan de verdachte in persoon mededeling gedaan van het door de Politierechter op 16 oktober 1996 bij verstek tegen hem gewezen vonnis.

De van de verstekmededeling opgemaakte akte vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats].

b. De verdachte heeft op 10 mei 2000 hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. De appelakte vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] te [plaats].

c. Een door het "Register Amsterdam" verstrekt afschrift van 22 december 2000 vermeldt het aan de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam ontleende gegeven, dat de verdachte op 23 april 1999 is vertrokken naar Luxemburg, [b-straat 1] (briefadres).

d. De dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2001 is uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is".

De appeldagvaarding is als gewone brief verzonden naar het hiervoor genoemde adres in Luxemburg.

e. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 mei 2001 houdt in dat de verdachte niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.

3.3. Ingevolge art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 3°, (oud) Sv wordt een dagvaarding uitgereikt aan de griffier indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is. Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen, indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding blijkend - voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald - adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden, zoals het adres dat de verdachte in de appelakte heeft doen opnemen (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 rov. 3.24 sub b).

3.4. In aanmerking genomen dat uit de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken niet blijkt dat een afschrift van de appeldagvaarding is gezonden naar het door de verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres, is het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het middel is dus terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de appeldagvaarding nietig verklaren.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verklaart de appeldagvaarding nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 9 januari 2007.