Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ1671

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
17-01-2007
Zaaknummer
01033/06 H + 01390/06 H + 01391/06 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ1671
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herzieningsaanvrage. Persoonsverwisseling. De inhoud van de in herziening overgelegde stukken, o.m. inhoudend dat aanvrager t.t.v. de bewezenverklaarde – in Utrecht en Assen gepleegde – feiten onafgebroken intern opgenomen was in een zorginstelling in Den Haag en dat aanvrager voor de pleegdata van de bewezenverklaarde feiten aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn identiteitsbewijs, geeft steun aan de stelling dat sprake is van persoonsverwisseling. Eea levert het ernstige vermoeden op dat zowel de pr te Assen als de pr te Utrecht, waren zij met die omstandigheden bekend geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zouden hebben vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 27
RvdW 2007, 118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 januari 2007

Strafkamer

nr. 01033/06 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te Assen van 6 mei 2002, parketnummer 19/020080-02 en 19/020093-02 en een in kracht van de gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te Utrecht van 4 maart 2002, parketnummer 16/116620-01, ingediend door mr. H.D. Gelderloos, advocaat te 's-Gravenhage, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter te Assen heeft de aanvrager ter zake van drie diefstallen veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uur, subsidiair 25 dagen hechtenis.

De Politierechter te Utrecht heeft de aanvrager ter zake van twee diefstallen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat sprake is geweest van een persoonsverwisseling, doordat iemand gebruik heeft gemaakt van zijn persoonsgegevens. Ter staving van deze stelling wordt aangevoerd dat het identiteitsbewijs van de aanvrager een aantal malen is ontvreemd, terwijl de aanvrager ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, die op 11 juni 2001 en 24 november 2001 te Utrecht en op 18 januari 2002 te Hoogersmilde, gemeente Midden-Drenthe en op 19 januari 2002 te Assen gepleegd zijn, intern opgenomen was in zorginstellingen van Parnassia te Den Haag.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Als bijlagen bij de aanvrage zijn onder meer gevoegd:

- een kopie van een brief d.d. 18 februari 2005 namens Psycho-medisch centrum Parnassia afdeling Forensische en Intensieve zorg, ondertekend door mevrouw T. Moritz, maatschappelijk werker, waarin ten aanzien van "[aanvrager], geboortedatum [geboortedatum].1961" wordt bevestigd dat hij

- voor zover hier van belang - van 7 juni 2001 tot 6 september 2001 intern opgenomen is geweest in zorginstelling Emiliehoeve en dat hij van 25 september 2001 tot 19 juli 2002 intern opgenomen is geweest in zorginstelling Triple Ex. De brief houdt voorts in dat de cliënten binnen deze programma's nagenoeg geen mogelijkheden hebben om buiten de instelling te verblijven en dat zij pas na een bepaalde periode (gemiddeld drie maanden) op verzoek in het weekend naar buiten (familie, etc.) mogen en dan nog onder strikte voorwaarden. Verder zijn de controles zodanig dat het niet mogelijk is dat de cliënten ongemerkt naar buiten gaan of elders verblijven;

- een kopie van een brief d.d. 30 september 2002 namens Parnassia Psycho-medisch centrum, afdeling dienstverlening, van mevrouw T. Moritz, maatschappelijk werker, aan het Centraal Bureau voor Rijvaardigheidsbewijzen, inhoudende dat de aanvrager wegens zijn verslaving aan drugs vanaf 24 april 2001 tot 19 juli 2002 onafgebroken intern opgenomen is geweest in Parnassia;

- een kopie van een brief d.d. 22 juli 2005 namens Parnassia psycho-medisch centrum, afdeling Materieel Juridische Dienstverlening, ondertekend door mevrouw G. Wildenberg, inhoudende dat de aanvrager zichzelf bij haar heeft gemeld met het verzoek om gegevens over zijn opnameperiode van 25 september 2001 tot en met 19 juli 2002. De brief houdt in dat bij onderzoek in het dossier van de aanvrager over de data 24 november 2001, en 18 en 19 januari 2002 geen negatieve aantekeningen of eventuele overtredingen van regels (zoals ongeoorloofde afwezigheid) waren te vinden en dat de aanvrager op 18 januari (de Hoge Raad leest: 2002) blijkens een laboratoriumuitslag een bloedonderzoek heeft ondergaan;

- een afschrift van een werkblad met de geregistreerde opnameperiodes van de aanvrager, inhoudende - voor zover hier van belang - dat de aanvrager van 7 juni 2001 tot 6 september 2001 intern opgenomen is geweest in zorginstelling Emiliehoeve en dat hij van 25 september 2001 tot 19 juli 2002 intern opgenomen is geweest in zorginstelling Triple Ex;

- een proces-verbaal aangifte vermissing reisdocument, PL 1514/2000/59596, op 3 maart 2005 opgemaakt door B. Kirazli, inhoudende dat de aangever op 30 november 2000 aangifte heeft gedaan van vermissing van een Europese identiteitskaart op zijn naam. De vermissing werd op 29 november 2000 ontdekt.

4.2. De inhoud van de hiervoor onder 4.1 vermelde stukken geeft steun aan de stelling waarop de aanvrage berust, te weten dat in de zaken die leidden tot de uitspraken waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling.

4.3. Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat zowel de Politierechter te Assen, als de Politierechter te Utrecht, waren zij met de evenvermelde feiten en omstandigheden bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zouden hebben vrijgesproken.

5. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;

Beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormelde vonnissen van de Politierechter te Assen van 6 mei 2002 en de Politierechter te Utrecht van 4 maart 2002;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 16 januari 2007.