Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ1084

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
C05/307HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ1084
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad, bewust profiteren door een koper van percelen grond van niet-nakoming door verkopers van een uit de wet voortvloeiende verbintenis bestaande in een voorkeursrecht tot koop van het verpachte door pachters van deze percelen ex art. 56b Pachtwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 54
NJ 2007, 78
RvdW 2007, 125
NJB 2007, 372
JWB 2007/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 januari 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/307HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

1. de erven van [betrokkene 1],

laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats],

2. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

3. [Verweerster 2],

wonende te [woonplaats],

4. [Verweerder 3],

wonende te [woonplaats],

5. [Verweerster 4],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploot van 21 juni 2000 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch.

Na wijziging van eis hebben [verweerder] c.s. gevorderd [eiseres] te veroordelen aan hen het 19/25e onverdeeld aandeel in de percelen, kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie [A] nrs. [0001] en [0002], te verkopen en te leveren voor de door de Grondkamer Zuid vast te stellen prijs, welke voor dat (gedeelte van het) perceel zou gelden bij verkoop aan derden in verpachte staat op 28 april 1995 (zijnde de datum waarop [eiseres] de percelen heeft gekocht). [Verweerder] c.s. hebben voorts gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat, indien [eiseres] aan het vorenstaande niet meewerkt, het te wijzen vonnis in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte alsmede dat [eiseres] wordt veroordeeld aan [verweerder] c.s. de buitengerechtelijke kosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[Eiseres] heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 mei 2002 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Eiseres] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij gevorderd het bestreden vonnis te vernietigen voorzover het betreft de rov. 4.2 en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vorderingen van [verweerder] c.s. op 28 april 2000 zijn verjaard en [verweerder] c.s. mitsdien niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

Bij tussenarrest van 23 maart 2004 heeft het hof het incidenteel appel verworpen en in het principaal appel [verweerder] c.s. toegelaten aanvullend bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eiseres] onrechtmatig jegens [verweerder] c.s. heeft gehandeld door van bedoelde erfgenamen 19/25e aandeel in de percelen te kopen. Na getuigenverhoren heeft het hof bij eindarrest van 2 augustus 2005, het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] c.s., met uitzondering van de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, alsnog toegewezen. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 10 november 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij schriftelijke, door de grondkamer voor Noord-Brabant goedgekeurde, pachtovereenkomst van 25 februari 1967 heeft [betrokkene 2] (tante van verweerders in cassatie onder 2-5) aan [betrokkene 3] (echtgenoot van [betrokkene 1], verweerster in cassatie onder 1, en vader van verweerders in cassatie onder 2-5) twee percelen landbouwgrond te Nuenen, kadastraal bekend gemeente Nuenen, sectie [A], nummers [0001] en [0002], verpacht (hierna: de percelen).

(ii) Vanaf 1982 heeft een zoon van [betrokkene 3], verweerder in cassatie onder 2 (hierna: [verweerder 1]), de percelen in gebruik gehad en de pachtprijs aan [betrokkene 2] betaald.

(iii) Op 4 april 1992 is [betrokkene 3] overleden. Verweerders in cassatie (hierna: [verweerder] c.s.) zijn de erfgenamen van [betrokkene 3].

(iv) Op 16 maart 1994 is [betrokkene 2] overleden. Erfgenamen tot haar nalatenschap, waarvan de percelen deel uitmaken, zijn onder meer verweerders in cassatie onder 2-5 en (wijlen) [betrokkene 4], de moeder van [betrokkene 5]. [Betrokkene 5] is directeur en enig aandeelhouder van eiseres tot cassatie, [eiseres].

(v) Op 1 oktober 1994 zijn diverse erfgenamen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3], onder wie verweerders in cassatie onder 2, 4 en 5, bijeengekomen onder leiding van notaris Van Thiel. Bij die bijeenkomst was ook [betrokkene 5] aanwezig, die zijn moeder vertegenwoordigde. Uit het verslag van die bijeenkomst blijkt dat [verweerder 1] te kennen heeft gegeven de percelen te willen kopen, maar dat de aanwezigen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de koopprijs en enige andere voorwaarden. In het verslag staat onder meer:

"[Betrokkene 5] (zoon van [betrokkene 4]) vraagt waarom de vader van [verweerder 1] wel een schriftelijk pachtcontract met tante had en [verweerder 1] nu niet?"

en:

"De heer Van Thiel deelt nog mede dat als er een rechtzaak van komt, [verweerder 1] rechten van pachter waarschijnlijk wel gehonoreerd zullen worden."

(vi) Bij brief van 23 maart 1995 heeft mr. Beele, de toenmalige advocaat van [verweerder 1], aan de moeder van [betrokkene 5] geschreven:

"(...) ben ik zo vrij alle mede-erfgenamen namens mijn cliënt aan te schrijven en als volgt te berichten. Cliënt is van oordeel, dat tussen hem en wijlen [betrokkene 2] een pachtovereenkomst bestaan heeft en op grond van de dwingendrechtelijke bepalingen van de Pachtwet nog steeds bestaat. Het bewijs van het bestaan van deze pachtovereenkomst valt niet alleen af te leiden uit de in de familie circulerende handgeschreven notitie van wijlen [betrokkene 2], maar ook uit de betalingsbewijzen vanaf 1982, terwijl niet onvermeld mag blijven, dat de pachtovereenkomst ten aanzien van de oorspronkelijk in gebruik genomen percelen reeds op 25 februari 1967 schriftelijk is vastgelegd en bij beschikking van de Grondkamer voor Noord-Brabant d.d. 28 april 1967 goedgekeurd is.

Cliënt is dan ook de mening toegedaan, dat hij ten aanzien van de onderhavige percelen wel degelijk heeft te gelden als pachter en aanspraak kan maken op alle rechten, die de Pachtwet daaraan verbindt. (...)"

(vii) [Betrokkene 5] was met de inhoud van deze brief bekend.

(viii) De erfgenamen van [betrokkene 2] hebben, met uitzondering van verweerders in cassatie onder 2-5 en [betrokkene 6], hun onverdeelde aandelen (19/25e deel) in alle goederen behorende tot de nalatenschap van [betrokkene 2], waaronder de percelen, verkocht aan [eiseres] en bij notariële akte van 28 april 1995 aan [eiseres] geleverd. In de leveringsakte staat onder meer:

"Bij de verdeling van de nalatenschap bestaat onduidelijkheid over het bestaan van het door [verweerder 1] voornoemd geclaimde pachtrecht; een schriftelijk pachtcontract is niet voorhanden."

en:

"Het aandeel, ad negentien/vijf en twintigste, in de kosten der boedelbehandeling, zijnde die van de boedelbeschrijving, de aangifte voor het recht van successie, die der latere verdeling en problematiek in verband met geclaimd pachtrecht ongeacht welke kosten daarmee zijn gemoeid, zullen zijn en komen ten laste van de koper en zullen door deze worden voldaan."

(ix) De erven [verweerder] hebben op 6 juni 1995 de overige erfgenamen van [betrokkene 2] alsmede [eiseres] gedagvaard voor de pachtkamer van het kantongerecht te Eindhoven en primair een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerder] c.s. pachters zijn van de percelen. Subsidiair hebben zij gevorderd dat de pachtkamer de pachtovereenkomst schriftelijk zal vastleggen. Voorts hebben [verweerder] c.s. gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld de percelen in eigendom over te dragen aan hen, althans aan [verweerder 1].

(x) Tegen het in die zaak uitgesproken vonnis is hoger beroep ingesteld bij de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem. Bij arrest van 5 oktober 1999 heeft de pachtkamer van het hof geoordeeld dat de (erfopvolgers van de) erfgenamen van [betrokkene 2] hebben te gelden als verpachters van de percelen en de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 3], [verweerder] c.s., als pachters.

De pachtkamer heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de tegen [eiseres] ingestelde vordering tot eigendomsoverdracht van de percelen.

(xi) Op 20 maart 2001 hebben [verweerder] c.s. ten laste van [eiseres] conservatoir beslag tot levering laten leggen op 19/25e deel van percelen.

3.2 In dit geding hebben [verweerder] c.s. gevorderd dat [eiseres] wordt veroordeeld aan hen het 19/25e onverdeelde aandeel in de percelen te verkopen en te leveren voor een door de Grondkamer Zuid vast te stellen prijs. Voorts hebben zij gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat, indien [eiseres] hieraan niet meewerkt, het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte. De erven [verweerder] hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de overige erfgenamen van [betrokkene 2] die hun onverdeelde aandelen in de percelen aan [eiseres] hebben verkocht, het voorkeursrecht van [verweerder] c.s. hebben geschonden dat hun toekomt ingevolge art. 56b Pachtwet. [Eiseres] heeft welbewust van die tekortkoming van de erfgenamen geprofiteerd en mitsdien onrechtmatig jegens [verweerder] c.s. gehandeld, waardoor zij een aanmerkelijke schade hebben geleden.

De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerder] c.s. afgewezen. Op het door hen tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof in een tussenarrest [verweerder] c.s. toegelaten tot het leveren van aanvullend bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eiseres] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Het hof overwoog daartoe onder meer als volgt:

"4.4.2 Het hof stelt voorop dat het handelen van [eiseres] slechts onder omstandigheden een onrechtmatige daad oplevert jegens [verweerder] c.s. Daartoe is tenminste vereist dat [eiseres] ten tijde van de koop wist of behoorde te weten dat de erfgenamen daarmee het voorkeursrecht van [verweerder] c.s. schonden. Gelet op het feit dat het hier een wettelijk voorkeursrecht betreft, kan die wetenschap naar 's hofs oordeel ook worden aangenomen indien [eiseres] er ernstig rekening mee moest houden dat door het sluiten van de koopovereenkomst het voorkeursrecht van [verweerder] c.s. zou worden geschonden. Daarnaast zijn voor het aannemen van een onrechtmatige daad bijkomende omstandigheden vereist, zoals de ernst van het nadeel dat [verweerder] c.s. lijden door de schending van het voorkeursrecht, de voorzienbaarheid van dit nadeel ten tijde van de koop en de mate waarin [eiseres] de tekortkoming van de erfgenamen heeft beïnvloed, bijvoorbeeld door de erfgenamen te vrijwaren voor schadeaanspraken van [verweerder] c.s. wegens schending van het voorkeursrecht (vgl. Hoge Raad 18 juni 1971, NJ 1971, 408 en Hoge Raad 17 mei 1985, NJ 1986, 760)."

In zijn eindarrest heeft het hof het verlangde bewijs geleverd geacht, het vonnis van de rechtbank vernietigd, en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [verweerder] c.s. alsnog toegewezen.

3.3 Onderdeel 1 van het tegen beide arresten van het hof aangevoerde middel keert zich tegen rov. 4.4.2 van het tussenarrest. Volgens het onderdeel is onvoldoende om tot onrechtmatigheid te concluderen dat [eiseres] er ernstig rekening mee moest houden dat door het sluiten van de koopovereenkomst het voorkeursrecht van [verweerder] c.s. zou worden geschonden. Het hof had in plaats daarvan de strengere maatstaf moeten hanteren dat [eiseres] zich bewust was van dit voorkeursrecht.

3.4 Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dat handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, op zichzelf jegens die derde niet onrechtmatig (HR 12 januari 1962, NJ 1962, 246). Van onrechtmatigheid is pas sprake indien die aangesproken partij weet of behoort te weten dat zijn wederpartij door het sluiten van de desbetreffende overeenkomst, kort gezegd, wanprestatie pleegt jegens een derde, en bovendien sprake is van bijkomende omstandigheden (zie onder meer HR 17 mei 1985, nr. 6663, NJ 1986, 760). Dezelfde normen hebben te gelden wanneer, zoals in het onderhavige geval, op de in de vorige zin bedoelde wederpartij niet een verbintenis uit overeenkomst rust, maar uit de wet.

Indien het middel wil betogen dat van onrechtmatigheid slechts sprake kan zijn indien [eiseres] zich bewust was van het voorkeursrecht van [verweerder] c.s. - als pachters van de percelen - bij verkoop van het verpachte, berust het mitsdien op een onjuiste rechtsopvatting en moet het al daarom falen.

Indien het middel mede de klacht bevat dat weliswaar ook van onrechtmatigheid sprake kan zijn als [eiseres] in de gegeven omstandigheden behoorde te weten dat dit voorkeursrecht werd geschonden, maar niet als zij daarmee slechts ernstig rekening moest houden, heeft het volgende te gelden. Het hof heeft in rov. 4.4.3 onder (b) van zijn tussenarrest - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat in de leveringsakte van 28 april 1995 rekening is gehouden met het bestaan van pachtrechten doordat daarin een beding is opgenomen inhoudende dat alle kosten "in verband met geclaimd pachtrecht" ten laste van [eiseres] zullen komen. Mede in dit licht moet het oordeel van het hof in rov. 4.4.2 dat de bedoelde wetenschap ook kan worden aangenomen indien [eiseres] er ernstig rekening mee moest houden dat door het sluiten van de koopovereenkomst het voorkeursrecht van [verweerder] c.s. zou worden geschonden, kennelijk aldus worden verstaan dat [eiseres] onder de gegeven omstandigheden bij het sluiten van koopovereenkomst behoorde te weten dat de hiervoor in 3.1 onder (viii) bedoelde erfgenamen van [betrokkene 2] bij de verkoop van de percelen aan [eiseres] in strijd handelden met de ingevolge de artikelen 56a e.v. van de Pachtwet op hen rustende verplichtingen tegenover [verweerder] c.s. Het onderdeel, dat van een andere lezing van deze overweging uitgaat, mist dus feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.5 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 8.6.2 van het eindarrest van het hof. De rov. 8.6.1 en 8.6.2 luiden als volgt:

"8.6.1 Na sluiting van de getuigenverhoren is de zaak verwezen naar de rolzitting van 8 februari 2005 voor memorie na enquête aan de zijde van appellanten ([verweerder] cs) dan wel het overleggen van de stukken voor arrest.

Op die zitting hebben partijen arrest verzocht en is de zaak voor het overleggen van de stukken verwezen naar de rolzitting van 22 februari 2005. Op die datum is de zaak opnieuw aangehouden voor het overleggen van de stukken tot 22 maart 2005. Op laatstgenoemde rolzitting heeft [eiseres] een memorie na enquête met 7 producties genomen, waarna partijen arrest hebben verzocht. Deze memorie bevindt zich, zoals reeds vastgesteld, niet in het dossier van [verweerder] cs.

De producties betreffen verschillende, in de procedure nog niet eerder overgelegde of besproken brieven uit 1994 en 1998, waaraan [eiseres] in zijn memorie na enquête nieuwe argumenten ontleent ter ondersteuning van zijn verweer.

8.6.2 Het hof acht deze gang van zaken in strijd met een goede procesorde en zal de memorie en de producties dan ook buiten beschouwing laten.

[Eiseres] was in de procedure niet aan het woord toen hij zijn memorie nam en had daar in feite ook geen recht op, nu de zaak was verwezen naar de rol voor (eventueel) memorie aan de zijde van [verweerder] cs. [Verweerder] cs. - aan wie de bewijsopdracht was verstrekt - hadden afgezien van een memorie na enquête.

Belangrijker nog acht het hof dat [eiseres] bij deze memorie, waarop [verweerder] c.s. niet meer heeft kunnen reageren, verschillende nieuwe stukken in het geding brengt zonder dat zij op enigerlei wijze aangeeft waarom zij deze, van jaren terug daterende, brieven niet eerder in het geding heeft gebracht dan bij het allerlaatste processtuk in hoger beroep, na gehouden getuigenverhoren. Het is bepaald niet uitgesloten dat, waren deze stukken eerder overgelegd, daarover aan de getuigen vragen hadden moeten worden gesteld. Door te handelen als zij deed ontneemt [eiseres] haar wederpartij de mogelijkheid om op die stukken behoorlijk te reageren.

Het hof ziet geen aanleiding [verweerder] c.s. alsnog in de gelegenheid te stellen te reageren aangezien daardoor het geding onredelijk zou worden vertraagd."

3.6 De onderdelen 2.3-2.6 - onderdeel 2 bevat geen klacht, maar slechts een inleiding - komen met diverse klachten op tegen het "belangrijker nog" geachte oordeel van het hof dat [eiseres],

- door na getuigenverhoor in hoger beroep alsnog stukken in het geding te brengen die van jaren terug dateren,

- zonder een verklaring te geven voor het late stadium waarin deze stukken in het geding zijn gebracht,

- terwijl "bepaald niet uitgesloten" is dat deze stukken, indien ze eerder beschikbaar waren geweest, in de verhoren hadden moeten worden betrokken,

in strijd heeft gehandeld met een goede procesorde. Het onderdeel is mede gericht tegen de beslissing van het hof om op die grond deze stukken buiten beschouwing te laten.

De tegen deze oordelen gerichte klachten stuiten alle erop af dat het hof ingevolge art. 20 lid 1 Rv. tot taak heeft te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure en daartoe zo nodig ook ambtshalve maatregelen dient te treffen. Het hof mocht op grond daarvan, en mede gelet op de overige - voormelde - omstandigheden die het in zijn oordeel heeft betrokken, de onderhavige stukken buiten beschouwing laten. Zijn oordeel dat [eiseres] in de gegeven omstandigheden in strijd heeft gehandeld met een goede procesorde, is niet in strijd met enige rechtsregel en is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd.

3.7 De onderdelen 2.1, 2.2, 2.7 en 2.8 zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 8.6.2 dat [eiseres] niet aan het woord was toen zij haar memorie nam en daarop ook geen recht had. Nu de onderdelen 2.3-2.6 falen, heeft [eiseres] bij behandeling van de onderhavige onderdelen geen belang meer.

3.8 Met onderdeel 2.5 betoogt [eiseres] dat het hof heeft miskend dat tegenbewijs van rechtswege vrijstaat. De door [eiseres] bij memorie na enquête in het geding gebrachte producties hebben de strekking terzake tegenbewijs te leveren. [Eiseres] heeft daarvoor niet eerder de gelegenheid gehad.

Het onderdeel faalt. [Eiseres] heeft de gelegenheid gehad én benut door het doen horen van getuigen tegenbewijs te leveren tegen de bewijslevering waartoe [verweerder] c.s. in het tussenarrest van het hof waren toegelaten. Het is op zichzelf juist dat [eiseres] zich hiertoe niet behoefde te beperken, maar het bedoelde tegenbewijs (mede) mocht leveren door bescheiden in het geding te brengen. Voor zover de onderhavige, bij memorie na enquête in het geding gebrachte, bescheiden deze strekking hadden, mocht het hof deze echter op grond van de goede procesorde buiten beschouwing laten, zoals bij de beoordeling van de onderdelen 2.3-2.6 is overwogen. Het recht om tegenbewijs te leveren doet daaraan niet af.

3.9 Onderdeel 3 bouwt voort op de onderdelen 1 en/of 2. Nu deze onderdelen falen, moet onderdeel 3 in het lot daarvan delen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, A. Hammerstein, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.