Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ0614

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
C05/272HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ0614
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AT9929, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Beslag- en executierecht. Invorderingszaak, verklaringsprocedure na executoriaal derdenbeslag uit hoofde van dwangbevel (art. 476a Rv.) over de vraag of ten tijde van de beslaglegging een al dan niet toekomstige vordering van de geëxecuteerde op de derde-beslagene bestond; giraal betalingsverkeer, rechtsverhouding tussen giro-instelling of bank en begunstigde rekeninghouder niet goederenrechtelijk maar verbintenissenrechtelijk van aard.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 476a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 51
NJ 2007, 76
RvdW 2007, 123
NJB 2007, 370
V-N 2007/13.23 met annotatie van Redactie
JWB 2007/34
JOR 2007/79 met annotatie van NEDF
JBPR 2013/1
AA20080044 met annotatie van Boom van W.H. Willem
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 januari 2007

Eerste Kamer

Nr. C05/272HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/OOST-BRABANT (voorheen: de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Eindhoven),

kantoorhoudende te Eindhoven,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck,

t e g e n

COÖPERATIEVE GROENTE- EN FRUITVEILING VERENIGING "KERSEBOOM" B.A.,

gevestigd te Mierlo,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 2 oktober 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Veiling - en de Rabobank Nuenen-Son en Breugel B.A. - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch. Na wijziging van eis heeft de Ontvanger gevorderd ten aanzien van zowel de Bank als de Veiling:

primair:

a. dat zij in rechte verklaring, met reden omkleed, zullen doen van de vorderingen en zaken die door de (in de inleidende dagvaarding) genoemde beslagen zijn getroffen;

b. dat zij voorts, nadat die verklaring door hen zal zijn gedaan en door de ontvanger zal zijn goedgekeurd of in geval van tegenspraak door de rechter zal zijn vastgesteld, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zullen worden veroordeeld om de geldsommen die door de beslagen zijn getroffen aan de belastingdeurwaarder die de beslagen heeft gelegd te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken aan voornoemde belastingdeurwaarder ter beschikking te stellen;

subsidiair:

c. zulks voor het geval zij niet zullen verschijnen of, verschenen zijnde, geen verklaring zullen doen: dat zij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zullen worden veroordeeld tot betaling aan de ontvanger van het bedrag waarvoor de beslagen zijn gelegd, zijnde ƒ 8.345.053,--, vermeerderd met de verschuldigde invorderingsrente, alsmede de kosten van vervolging en executie, sedert de betekening van de dwangbevelen, welke tot de betekening van de dagvaarding bedragen ƒ 40,--, als waren zij daarvan zelf schuldenaar.

De Bank en de Veiling hebben de vordering afzonderlijk bestreden.

Na een tussenvonnis van 4 juni 1999, waarbij de Bank en de Veiling tot bewijslevering zijn toegelaten, en getuigenverhoren heeft de rechtbank heeft bij eindvonnis van 22 februari 2002 de bank veroordeeld aan de belastingdeurwaarder te voldoen een bedrag van € 88.048,99 en de Veiling veroordeeld aan de belastingdeurwaarder een bedrag van € 1.680.102,86 te voldoen.

Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.

Tegen beide vonnissen van de rechtbank heeft de Veiling hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 14 juni 2005 heeft het hof de Ontvanger toegelaten te bewijzen dat tussen de in Polen gevestigde onderneming Agriculture International Sp.Z.O.O. (hierna: Agri) en de Veiling vóór 11 juli 1996 een afspraak is gemaakt als omschreven in rov. 4.7.4. van zijn arrest, en heeft het hof beroep in cassatie van het arrest opengesteld.

Het tussenarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenarrest van het hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Veiling heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Ontvanger mede door mr. M.P.P. de Planque, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Tussen Agri en de Veiling bestond een rechtsverhouding op grond waarvan de Veiling op commissiebasis tuinbouwproducten van Agri verkocht en de opbrengst ervan aan Agri betaalde.

(ii) Op 19 juni, 26 juni en 4 juli 1996 heeft de Veiling voor een bedrag van in totaal ƒ 2.136.000,-- (€ 969.274,54) overgemaakt van haar bankrekening bij de Rabobank Mierlo naar een bankrekening van Agri in Polen. Agri heeft haar bank opdracht gegeven dit bedrag terug te storten op de bankrekening van de Veiling.

(iii) De Ontvanger heeft bij exploot van 11 juli 1996 executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Veiling ten laste van Agri, uit hoofde van een dwangbevel tot betaling van ruim acht miljoen gulden.

(iv) Kort na deze beslaglegging heeft de Veiling haar onder (i) vermelde rekening doen blokkeren. Als gevolg van deze blokkering is het onder (ii) bedoelde, in opdracht van Agri overgemaakte, bedrag niet bijgeschreven op de rekening van de Veiling doch geboekt op een "verschillenrekening" op naam van de Rabobank Mierlo.

(v) De directeur van deze bank heeft op 12 juli 1996 contact opgenomen met de directeur van de Veiling over de bestemming van het in opdracht van Agri overgemaakte bedrag. De directeur van de Veiling heeft toen te kennen gegeven dat het bedrag niet voor de Veiling was bestemd.

(vi) De Ontvanger heeft op 17 juli 1996 om 11.00 uur uit hoofde van het eerder genoemde dwangbevel opnieuw executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Veiling ten laste van Agri. Op dezelfde dag om 11.30 uur heeft de directeur van de Rabobank Mierlo een interne opdracht gegeven tot overboeking van het voormelde bedrag van ƒ 2.136.000,-- minus ƒ 9,80 kosten naar de bankrekening van Agri bij de Rabobank Nuenen.

(vii) De Veiling heeft op 8 augustus 1996 een verklaring als bedoeld in art. 476a Rv. afgelegd, waarin zij opgaf op 11 juli 1996 en op 17 juli 1996 aan Agri een bedrag van ƒ 1.238.050,22 verschuldigd te zijn. In nadere verklaringen heeft zij dit bedrag gewijzigd in ƒ 1.566.469,28.

3.2 De vordering van de Ontvanger strekt onder meer tot het doen van een gerechtelijke verklaring waarbij de Ontvanger zich op het standpunt heeft gesteld dat de Veiling ook het hiervoor in 3.1 onder (ii) en (vi) vermelde bedrag van ƒ 2.136.000,-- (hierna ook kort aangeduid als: het bedrag) aan Agri verschuldigd was.

De Veiling heeft hiertegen onder meer als verweer aangevoerd dat het bedrag weliswaar door haar aan Agri verschuldigd was, doch dat haar schuld door betaling is tenietgegaan vóórdat het beslag door de Ontvanger was gelegd. De rechtbank heeft het standpunt van de Ontvanger gevolgd. Het hof heeft in zijn bestreden arrest, kort samengevat en voorzover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

(a) De Rabobank Mierlo (hierna: de bank) moest ingevolge de (terug-)betalingsopdracht van Agri de Veiling als begunstigde voor het bedrag crediteren zodra zij dit bedrag had ontvangen. Deze creditering was niet mogelijk door de blokkering van de rekening van de Veiling. Dit betekent echter niet dat het bedrag niet tot het vermogen van de Veiling is gaan behoren. Het feit dat de bank het bedrag voorlopig heeft geboekt op haar "verschillenrekening", brengt mee dat de bank het is gaan houden voor de Veiling omdat zij degene was voor wie het bedrag was bestemd.

(b) De Veiling kon zich wel onmiddellijk verzetten tegen de ontvangst van het bedrag. Dit verzet moet worden beschouwd als een opdracht tot overboeking van het bedrag. De - hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde - mededeling van de Veiling moet worden beschouwd als een handeling van de Veiling in de zin van art. 3:111 BW, die tot gevolg had dat de bank het bedrag niet langer voor de Veiling hield, maar voor de afzender. Op dat moment raakte, aldus het hof, het bedrag uit het vermogen van de Veiling.

(c) Op basis hiervan heeft het hof vastgesteld dat het bedrag op 12 juli 1996 tot het vermogen van de Veiling is gaan behoren en dat dit op dezelfde dag ook weer door de bedoelde mededeling uit haar vermogen is geraakt.

(d) Het hof heeft de stelling van de Ontvanger verworpen dat door de(terug)betaling van het bedrag door Agri aan de Veiling (wederom) een schuld van de Veiling aan Agri ontstond die rechtstreeks voortvloeit uit een ten tijde van het beslag tussen hen reeds bestaande rechtsverhouding.

3.3 Het gaat in dit geding, voorzover in cassatie van belang, om de beantwoording van de vraag of een van beide door de Ontvanger gelegde beslagen - zoals de Ontvanger heeft gesteld en de Veiling heeft betwist - het bedrag heeft getroffen. Ingevolge art. 475 lid 1 Rv. is dienaangaande beslissend of ten tijde van (een van) beide beslagleggingen een (al dan niet toekomstige) vordering van Agri op de Veiling bestond.

De beantwoording van voormelde vraag is mede afhankelijk van een beoordeling van de verbintenisrechtelijke gevolgen van de hiervoor in 3.1 onder (iv) en (vi) vermelde girale overmakingen. Onderdeel 1.1 van het middel klaagt terecht dat het hof dit een en ander heeft miskend en dat het hof ten onrechte heeft onderzocht of de bank enig bedrag voor Agri is gaan "houden", in de zin van het hier niet van toepassing zijnde art. 3:111 BW. Het hiervoor in 3.2 onder (a) weergegeven oordeel van het hof getuigt daarom van een onjuiste opvatting omtrent de juridische betekenis van de wijze waarop giraal betalingverkeer verloopt, nu het uitgaat van de veronderstelling dat een giro-instelling of bank voor de begunstigde rekeninghouder gelden onder zich houdt in de zin van art. 3:107 BW. Ook het daarop voortbouwende onder (b) vermelde oordeel van het hof is dus onjuist. Het hof heeft ten onrechte een goederenrechtelijke betekenis toegekend aan de mededeling van de Veiling dat het door Agri teruggestorte bedrag haar niet toekwam. Het hof heeft voorts uit het oog verloren dat de verhouding tussen Agri en de bank als giro-instelling slechts verbintenisrechtelijk van aard is en dat ook de vraag of Agri een vordering op de Veiling had vanuit het verbintenissenrecht moet worden beoordeeld. Het slagen van onderdeel 1.1 heeft tot gevolg dat de grondslag ontvalt aan het onder (c) bedoelde oordeel van het hof. Na verwijzing zal alsnog moeten worden onderzocht of Agri een vordering had op de Veiling ten tijde van een van de beslagleggingen.

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 juni 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Veiling in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 5.826,18 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.