Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ0394

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
42722
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ0394
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Conclusie PG

De onderhavige zaak en de zaken met nrs. 42457, 42458, 42459, 42460, 42461, 42462, 42463, 42464, 42465, 42721, 42758 en 42759, waarin heden wordt geconcludeerd, hebben alle betrekking op de baatbelasting en meer in het bijzonder op de begrippen 'voorziening' en 'baat'. Voor deze zaken is een bijlage opgesteld, welke onderdeel uitmaakt van deze conclusie.

Op 15 mei 2000 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden vastgesteld de Verordening op de heffing en invordering van baatbelasting in verband met de herinrichting van de binnenstad fase 1A: Nieuwestad Noord- en Zuidzijde, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk (hierna: de Verordening baatbelasting 2000 fase 1A).

In het kader van fase 1 van de herinrichting van de binnenstad is sierbestrating aangebracht en straatmeubilair (te weten: roestvrijstalen fietsenrekken en roestvrijstalen prullenbakken) geplaatst.

Met dagtekening 30 november 2000 is aan belanghebbende ter zake van het genot krachtens eigendom van de onroerende zaak a-straat 2 te Q een aanslag in de baatbelasting herinrichting binnenstad Leeuwarden fase 1A: Nieuwestad, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk opgelegd ten bedrage van ƒ 7799,89.

Belanghebbende heeft met betrekking tot evenvermelde aanslag reeds eerder beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 juli 2004, nrs. 39.148 en 39.149, BNB 2004/340, dat cassatieberoep gegrond verklaard, de uitspraak van Hof Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof). Voor het Hof was na verwijzing nog in geschil, voor zover in cassatie van belang, het antwoord op de vraag of en, zo ja, in hoeverre als gevolg van de herinrichting sprake is van een als voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, Gemeentewet aan te merken verbetering.

Het Hof heeft geoordeeld dat door de verrichte werkzaamheden het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied in vergelijking met de toestand waarin dit zich bij de oorspronkelijke inrichting of de laatste herinrichting bevond niet wezenlijk is veranderd. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat het, gelet op zijn evenvermelde oordeel, dient te onderzoeken in hoeverre sprake is van (groot) onderhoud en in hoeverre van een verbetering. Het Hof komt vervolgens tot de conclusie dat de prullenbakken en de sierbestrating deels zijn aan te merken als een voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, Gemeentewet.

In de conclusie wordt - onder verwijzing naar de bijlage - geconcludeerd dat het Hof ten onrechte heeft onderzocht of onderdelen van de herinrichting toch als voorziening kunnen worden aangemerkt. 's Hofs oordeel dat geen sprake is van een wezenlijke verandering houdt in dat de herinrichting niet is aan te merken als een voorziening in de zin van de baatbelasting. Indien de herinrichting niet een voorziening in deze zin is, kunnen daarin niet toch nog delen worden onderscheiden die wel als zodanig gelden. Het Hof heeft derhalve terecht - zij het deels op onjuiste gronden - de aangevallen uitspraak en de aanslag vernietigd, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.

De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd.