Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AZ0220

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
00664/06 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ0220
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Dagvaarding rechtspersoon. 2. Herstel kennelijke misslag. 3. Afvalstoffen in de zin van Richtlijn 75/442 EEG. Ad 1. Uit de stukken van het geding volgt, dat Aannemersbedrijf A B.V. niet heeft opgehouden te bestaan, maar dat haar statutaire naam is gewijzigd in C B.V. Uit de stukken blijkt voorts dat aan de handelsnaam van C B.V. de handelsnaam D is toegevoegd. In ’s hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat de uitreiking van de dagvaarding in appel kan gelden als een rechtsgeldige betekening aan de rechtspersoon op de in art. 529 Sv voorziene wijze, waarbij de tenaamstelling genoegzaam duidelijk maakt dat als verdachte is gedagvaard de rechtspersoon C B.V./D, die voorheen was genaamd A B.V., en dat de t.t.z. verschenen E als vertegenwoordiger van verdachte ex art. 528.1 Sv moet worden aangemerkt. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de feitelijke zeggenschap van E bij C B.V./D en A B.V. In het middel wordt gesteld dat F B.V. had moeten worden gedagvaard, omdat een “activa/passiva transactie” heeft plaatsgevonden waarbij de aannemingsactiviteiten van A B.V., inclusief handelsnaam, zijn verkocht aan F B.V. De opvatting dat in een geval als i.c. uitsluitend als de rechtspersoon die krachtens art. 51 Sr kan worden vervolgd, mag worden gedagvaard de rechtspersoon die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van de rechtspersoon die de tenlastegelegde strafbare feiten zou hebben begaan in de toenmalige uitoefening van dat bedrijf, is niet juist. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in een dergelijk geval de nog bestaande rechtspersoon die de strafbare feiten destijds zou hebben begaan, wordt vervolgd. Ad 2. De HR leest de bewezenverklaring met herstel van een kennelijke misslag. Ad 3. Het hof heeft terecht geoordeeld dat voor de vraag of in dit geval van afvalstoffen sprake is, aansluiting dient te worden gezocht bij de Richtlijn 75/442 EEG (Kaderrichtlijn Afvalstoffen) en bij hetgeen het HvJ EG in zijn arrest van 15 juni 2000 (C-418/97 en C-419/97) t.a.v. die Richtlijn heeft overwogen. In dat arrest heeft het HvJ (voor zover hier van belang) geoordeeld dat de vraag of sprake is van een afvalstof i.d.z.v. de Richtlijn moet worden beoordeeld “met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan”. Voorts heeft het hof bij de beoordeling of van de stoffen een nadelige invloed i.d.z.v. art. 13 Wbb kan worden uitgaan een juiste maatstaf aangelegd. Dit alles brengt mee dat ’s hofs oordeel dat van afvalstoffen sprake is onjuist noch onbegrijpelijk is. De enkele aangevoerde omstandigheid dat niet van zodanige verontreiniging sprake was dat de desbetreffende stoffen niet als bouwstof konden worden ingezet of anderszins konden worden hergebruikt, noopte het hof niet zijn oordeel nader te motiveren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 51
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 528
Wetboek van Strafvordering 529
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 208
NBSTRAF 2007/208
JAF 2007/38 met annotatie van Van der Meijden
JOL 2007, 292
NJ 2007, 248
RvdW 2007, 430

Uitspraak

17 april 2007

Strafkamer

nr. 00664/06 E

DV/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Economische Kamer, van 8 december 2004, nummer 23/000776-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte (onder naam 1)] B.V., thans [verdachte (onder naam 3)], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Alkmaar van 28 oktober 2002 - de verdachte vrijgesproken van het 1 primair tenlastegelegde en ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde en de verdachte ter zake van 1. subsidiair "opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift, gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van duizend euro.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

"Namens de verdachte, gedagvaard als:

[verdachte (onder naam 1)] BV, thans:

[verdachte (onder naam 3)],

gevestigd te [0000 AA] [vestigingsplaats], [a-straat 1],

is als vertegenwoordiger [betrokkene 1] verschenen, bestuurder van [A]. B.V., zijnde bestuurder van verdachte, [verdachte (onder naam 2)] B.V., handelsnaam tevens [verdachte (onder naam 3)].

(...)

De vertegenwoordiger van verdachte verklaart

- zakelijk weergegeven - het volgende:

(...)

[Verdachte (onder naam 1)] B.V. is overgenomen door [B] B.V.. [Verdachte (onder naam 2/naam 3)] is een aparte b.v.. Sedert 30 november 1999 is [A] B.V. enig aandeelhouder en bestuurder van [verdachte (onder naam 2/naam 3)], gevestigd aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats]. Enig aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. ben ik, [betrokkene 1]. Op 17 juli 2002 heeft een wijziging van de statuten van [verdachte (onder naam 1)] B.V. plaatsgevonden, zoals neergelegd in de 'akte tot wijziging statuten' van de besloten vennootschap [verdachte (onder naam 1)] B.V. van 17 juli 2002. Slechts de statutaire naam is toen gewijzigd in [verdachte (onder naam 2)] B.V..

De raadsman van verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - het volgende.

De onderneming uit [verdachte (onder naam 1)] B.V. is overgenomen door [B] B.V.. [Verdachte (onder naam 2/ naam 3)] had niet mogen worden gedagvaard omdat niet zij, maar de besloten vennootschap [B] B.V. de aannemingsactiviteiten van verdachte, [verdachte (onder naam 1)] B.V., heeft overgenomen. Ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding was reeds bekend dat verdachte was overgenomen en niet had mogen worden gedagvaard. Daarvan kan zonder onderzoek van de zaak blijken.

(...)

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat het verweer wordt verworpen omdat het ongegrond is bevonden.

Het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken dient als uitgangspunt bij de dagvaarding van rechtspersonen te worden genomen, omdat de registraties in het handelsregister kenbaar zijn voor derden. Gezien de overgelegde stukken had, op het moment dat de inleidende dagvaarding werd uitgebracht, een naamswijziging plaatsgevonden en was die naamswijziging voorts geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.

In beginsel brengt het dagvaarden van verdachte op de oude naam de nietigheid van de inleidende dagvaardig met zich. In deze zaak hoeft het zover echter niet te komen nu ter terechtzitting verscheen [betrokkene 1], bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V., bestuurder en enig aandeelhouder van zowel [verdachte (onder naam 1)] B.V. als [verdachte (onder naam 2)] B.V.. Nu hij als vertegenwoordiger van verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd is daarom noch de oude, noch de nieuwe rechtspersoon op enig moment in zijn verdedigingsbelang geschaad."

3.3. Aan de stukken van het geding kan het volgende worden ontleend.

(i) Bij inleidende dagvaarding is gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van de Economische Politierechter: [verdachte (onder naam 1)], [a-straat 1], [0000 AA] [vestigingsplaats]. De aan het dubbel van de dagvaarding gehechte akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding op 18 september 2002 is uitgereikt aan [A] "die verklaarde bestuurder van geadresseerde te zijn". Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Economische Politierechter houdt in dat [verdachte (onder naam 1)] B.V. ter terechtzitting werd vertegenwoordigd door [betrokkene 1], directeur van [verdachte (onder naam 1)] B.V..

(ii) Aan [verdachte (onder naam 1)] B.V. is in eerste aanleg tenlastegelegd, zakelijk weergegeven:

onder 1. primair een strafbaar feit als bedoeld in art. 8 Wet milieubeheer, gepleegd in de periode van 28 maart 2001 tot en met 3 april 2001 (in hoger beroep gewijzigd wat betreft de aanvangsdatum van de periode in 30 november 1999);

onder 1. subsidiair een strafbaar feit als bedoeld in art. 13 Wet bodemsanering, gepleegd in of omstreeks de periode van 30 november 1999 tot en met 3 april 2001; en

onder 2. een strafbaar feit als bedoeld in art. 10.2, eerste lid, Wet milieubeheer, gepleegd in of omstreeks de periode van 30 november 1999 tot en met 22 mei 2001.

(iii) Blijkens de van het opsporingsonderzoek opgemaakte processen-verbaal van politie is onder meer [verdachte (onder naam 1)] B.V. als verdachte aangemerkt. Door de politie is [betrokkene 1] over de bedoelde strafbare feiten gehoord. Het daarvan op 22 mei 2001 opgemaakte proces-verbaal houdt onder meer in als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (zoals door het Hof gebezigd als bewijsmiddel 3, hieronder weergegeven onder 4.2.3 sub c):

"Ik ben directeur van [A] B.V. te [vestigingsplaats]. [A] B.V. is voor 100% eigenaar van [verdachte (onder naam 1)] B.V. De opslag bij het bedrijf [C] B.V. is van [verdachte (onder naam 1)] B.V. Ik ben daar verantwoordelijk voor (...)."

(iv) Bij akte van oprichting van een besloten vennoot- schap is door [betrokkene 1], handelende als zelfstandig bevoegd bestuurder van [A] B.V., op 30 november 1999 opgericht de vennootschap [verdachte (onder naam 1)] B.V.

Op 3 december 1999 heeft [betrokkene 1] [verdachte (onder naam 1)] B.V. in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noordwest-Holland doen inschrijven, waarbij als adres is vermeld: [a-straat 1], [0000 AA] [vestigingsplaats], de bedrijfsactiviteiten zijn omschreven als: aannemingsbedrijf op het gebied van grond-, water- en wegenbouw, burgerlijke en utiliteits- bouw, tevens sloop- en saneringsbedrijf, en als directeur van [verdachte (onder naam 1)] B.V. is opgegeven: [A] B.V., waarvan bestuurder en enig aandeelhouder is:

[betrokkene 1].

(v) Een akte tot wijziging van de statuten van [verdachte (onder naam 1)] B.V. van 17 juli 2002 houdt onder meer in dat deze vennootschap de naam draagt [verdachte (onder naam 2)] B.V. De statuten van [verdachte (onder naam 2)] B.V. behelzen als doel van de vennootschap onder meer: het ter beschikking stellen van personeel, het aannemen en uitvoeren van sloopwerken, alsmede het aannemen en uitvoeren van burgerlijke-, utiliteits-, schoonmaak- en onderhoudswerken, van grond-, weg- en waterbouwkundige werken.

Op 19 juli 2002 heeft [betrokkene 1] in voormeld Handelsregister doen inschrijven dat de statutaire naam van de rechtspersoon [verdachte (onder naam 1)] B.V. per 17 juli 2002 is gewijzigd in [verdachte (onder naam 2)] B.V., dat de bedrijfsactiviteiten van [verdachte (onder naam 1)] B.V., opgegeven als aannemingsbedrijf op het gebied van grond, weg- en waterbouw, burgerlijke- en utiliteitsbouw tevens sloop- en saneringsbedrijf, zijn vervallen, dat activiteiten en handelsnaam zijn overgedragen aan [B] B.V. en dat als bedrijfsactiviteiten zijn toegevoegd: detacheringsbureau van bouwkundig personeel. [B] B.V. is gevestigd op het adres [a-straat 1], [0000 AA] [vestigingsplaats]. Bestuurder en enig aandeelhouder van [B] B.V. is [A] B.V.

Blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van 19 mei 2004 (gehecht aan de akte van uitreiking van de dagvaarding om te verschijnen op de terechtzitting van het Hof van 7 juli 2004) zijn daarin als handelsnamen van [B] B.V. vermeld: [B] B.V. en [verdachte (onder naam 1)].

Op 11 mei 2004 heeft [betrokkene 1] in het Handelsregister doen inschrijven dat aan de handelsnaam van [verdachte (onder naam 2)] B.V. per 3 mei 2004 als handelsnaam is toegevoegd [verdachte (onder naam 3)], dat er geen bedrijfsactiviteiten zijn vervallen en dat de volgende bedrijfsactiviteiten zijn toegevoegd: groot- en detailhandel in elektra, hard- en software, elektrotechnisch installatiebedrijf voor de nautische industrie, alsmede aanleggen en beheren van netwerken.

(vi) Bij dagvaarding in hoger beroep is gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van het Hof van 24 november 2004: [verdachte (onder naam 1)], thans: [verdachte (onder naam 3)], [a-straat 1], [0000 AA] [vestigingsplaats].

De aan het dubbel van de dagvaarding gehechte akte van uitreiking houdt in dat de dagvaarding op 29 september 2004 is uitgereikt aan [A] "die verklaarde bestuurder van geadresseerde te zijn".

3.4. Uit het voorgaande volgt, zoals ook in het middel tot uitgangspunt wordt genomen, dat [verdachte (onder naam 1)] B.V. niet heeft opgehouden te bestaan, maar dat haar statutaire naam is gewijzigd in [verdachte (onder naam 2)] B.V. Uit het vorenstaande blijkt voorts dat aan de handelsnaam van [verdachte (onder naam 2)] B.V. de handelsnaam [verdachte (onder naam 3)] is toegevoegd.

In de onder 3.2 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de onder 3.3. sub (vi) bedoelde uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep kan gelden als een rechtsgeldige betekening aan de rechtspersoon op de in art. 529 Sv voorziene wijze, waarbij de tenaamstelling genoegzaam duidelijk maakt dat als verdachte is gedagvaard de rechtspersoon [verdachte (onder naam 2/ naam 3)], die voorheen was genaamd [verdachte (onder naam 1)] B.V., en dat de ter terechtzitting verschenen [betrokkene 1] als vertegenwoordiger van de verdachte in de zin van art. 528, eerste lid, Sv moet worden aangemerkt. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld - en heeft kunnen vaststellen, mede gelet op hetgeen de stukken inhouden - omtrent de feitelijke zeggenschap van [betrokkene 1] bij [verdachte (onder naam 2/ naam 3)] en [verdachte (onder naam 1)] B.V..

3.5. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat [B] B.V. had moeten worden gedagvaard. Daartoe wordt aangevoerd dat per 17 juli 2002 een "activa/passiva transactie" heeft plaatsgevonden waarbij de aannemingsactiviteiten van [verdachte (onder naam 1)] B.V., inclusief handelsnaam, zijn verkocht aan [B] B.V.

Aan het middel ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat in een geval als het onderhavige uitsluitend als de rechtspersoon die krachtens art. 51 Sr kan worden vervolgd, mag worden gedagvaard de rechtspersoon die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van de rechtspersoon die de tenlastegelegde strafbare feiten zou hebben begaan in de toenmalige uitoefening van dat bedrijf. Die opvatting is niet juist. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in een dergelijk geval de nog bestaande rechtspersoon die de strafbare feiten destijds zou hebben begaan, wordt vervolgd.

3.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen nu dit feit is begaan door [D] B.V. dat op 21 oktober 1999 in staat van faillissement is verklaard en niet door [verdachte (onder naam 1)] B.V. dat op 1 november 1999 van de curator de activa en passiva van het failliete bedrijf heeft overgenomen.

4.2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. zij in de periode van 30 november 1999 tot en met 3 april 2001, in de gemeente Andijk, op een perceel gelegen aan de [b-straat 1], op de bodem een hoeveelheid afval, te weten asfalt-granulaat en puingranulaat, zijnde afvalstoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op de bodem heeft doen geraken, terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd of aangetast en aldus opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

2. zij in de periode van 30 november 1999 tot en met 22 mei 2001, in de gemeente Medemblik, opzettelijk zich van afvalstoffen, te weten een hoeveelheid roze filtergranaatzand, heeft ontdaan door deze buiten een inrichting op de bodem te brengen."

4.2.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

"Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit kan ik u vertellen dat het roze zand niet door de gemeente is gebruikt maar door ons is gebruikt in een project voor woningen te [vestigingsplaats]. [Betrokkene 2], uitvoerder, heeft dat zo geregeld. Ik heb het zo gelaten tot het granaatzand op was."

b. een proces-verbaal van politie opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten, dan wel één van hen:

"Op 28 maart 2001 zag ik, 1e verbalisant, vanuit de lucht boven West-Friesland, dat er bij bedrijf [C] B.V., [b-straat 1] te [vestigingsplaats], een hoeveelheid afval op het bedrijfsterrein lag.

Op donderdag 29 maart 2001 betraden wij het perceel [b-straat 1] te [vestigingsplaats]. Wij zagen dat er ook een hoop van ongeveer 20 m³ grond, vermengd met puin, op de bodem lag. Wij zagen dat er ook een hoop van ongeveer 30 m³ bestaande uit puingranulaat vermengd met grond lag. Verder zagen wij dat daar een hoop roze materiaal lag van 10 m³. Tenslotte zagen we daar een hoop van ongeveer 1 m³ asfaltgranulaat op de bodem liggen.

Uit de door de bedrijfsleider gegeven informatie bleek ons, dat het terrein waar gebroken puin, de hoop roze materiaal, grond en stenen en dergelijke was opgeslagen, in gebruik was bij [verdachte (onder naam 1)] B.V., gevestigd [a-straat 1] te

[vestigingsplaats].

Op 3 april 2001 betrad ik, 1e verbalisant, het bedrijfsterrein van [C] B.V. voornoemd. Het bleek mij dat er afvalstoffen op of in de bodem werden bewaard, welke de bodem konden verontreinigen. Ik zag namelijk dat er puingranulaat en asfaltgranulaat op de bodem werden bewaard. Ik zag dat er ter plaatse geen bodembeschermende maatregelen werden getroffen.

Op verzoek van mij, 1e verbalisant, werd door de afdeling wegenbouw van de gemeente Medemblik een onderzoek ingesteld in nieuwbouwplan 'Schepenwijk'. [Getuige 1] van deze afdeling deelde mij mede dat door hem in de drainagesleuven, die onder de wegen zouden komen te liggen, roze materiaal, dat er uitzag als grof zand, werd aangetroffen. De toegepaste hoeveelheid betrof volgens het bestek 20 m³."

c. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben directeur van [A] B.V. te [vestigingsplaats]. [A] B.V. is voor 100% eigenaar van [verdachte (onder naam 1)] B.V.. De opslag bij het bedrijf van [C] B.V. is van [verdachte (onder naam 1)] B.V.. Ik ben daar verantwoordelijk voor. Die opslag is daar al een jaar of 6 volgens mij. Ik heb [D] B.V. overgenomen. Het roze zand dat daar ligt is afkomstig van de [E] te [vestigingsplaats]. Dit gebruiken we in drainage sleuven bij projecten. Momenteel zijn we bezig in Medemblik met een nieuwe woonwijk."

d. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende de op 4 april 2001 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

"Het puingranulaat dat op het terrein van [C] ligt, ligt er nu ongeveer een maand. Dit is overgebleven van een klus. De roze berg is filterzand, dat gebruiken we in drainagesleuven bij bouwwerken.

Dit filterzand komt bij [E] vandaan.

Dit gebruiken ze om water te zuiveren."

e. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

"Ik ben werkzaam bij [E] te [vestigingsplaats]. In 1997 is er door [D] B.V. te [vestigingsplaats] 5 m³ filterzand weggehaald. Dit zand konden wij niet meer gebruiken. We hadden het gebruikt om water te filteren. In 1998 heeft [verdachte (onder naam 1)] B.V. uit [vestigingsplaats] 36 m³ zand bij ons bedrijf weggehaald. Dit was zand dat ook gebruikt was als filterzand. Het filterzand gaat bij ons gratis weg, het heeft voor ons geen waarde. Toen het bouwbesluit van kracht werd, hebben we al het filterzand afgevoerd via de reststoffenunie. Alle waterwinstations voeren hun afval af via de reststoffenunie."

4.3.1. Voor zover het middel bedoelt te klagen dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte het onder 1 bewezenverklaarde puingranulaat op de bodem heeft doen geraken, faalt het, reeds omdat het Hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat het puingranulaat ter plaatse aanwezig was sinds ongeveer een maand vóór 4 april 2001, op een tijdstip waarop het daar niet door de failliete vennootschap kan zijn gebracht.

4.3.2. De onder 4.2.3 weergegeven bewijsmiddelen houden overigens niet in dat het onder 1 bewezenverklaarde asfaltgranulaat ter plaatse is gebracht. De Hoge Raad neemt dan ook aan dat het desbetreffende onderdeel van de tenlastelegging ter zake van feit 1 als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring is opgenomen. De Hoge Raad leest de bewezenverklaring met herstel van deze misslag. Aangezien in die lezing de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet worden aangetast, behoeft 's Hofs kennelijke vergissing niet tot cassatie te leiden.

4.3.3. De bewezenverklaring is overigens naar de eis der wet met redenen omkleed.

4.4. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de in de bewezenverklaring onder 1 en 2 genoemde stoffen, afvalstoffen zijn.

5.2. Voor zover het middel bedoelt te klagen over het onder 1 in de bewezenverklaring genoemde asfaltgranulaat, mist het gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3.2 is overwogen belang.

5.3. Voor de beoordeling van het middel voor het overige is de volgende bepaling van belang:

Art. 13 (oud) Wet bodembescherming (Wbb), dat luidt:

"Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen."

5.4. Met betrekking tot het in de bewezenverklaring van het onder 1 vermelde puingranulaat en het onder 2 vermelde roze filtergranaatzand heeft het Hof het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

"B- Voorts heeft de raadsman van verdachte (...) ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde aangevoerd dat het asfalt- en puin-granulaat en filterzand geen afvalstoffen zijn die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten omdat de 'bedoelde stromen' niet zodanig verontreinigd waren dat ze niet als bouwstof konden worden ingezet of anderszins konden worden hergebruikt.

1. Met betrekking tot het verweer dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde geen sprake is van afvalstoffen overweegt het hof het volgende.

2. De definitie van het begrip afvalstoffen, zoals opgenomen in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer, luidde ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen als volgt:

'alle stoffen, preparaten of andere produkten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'.

3. Het hof zoekt voor de uitleg van het begrip afvalstoffen aansluiting bij de uitleg van dat begrip in richtlijn 75/442 EEG (Kaderrichtlijn Afvalstoffen) en het door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000 (C-418/97 en C-419/97) en nadien te dien aanzien overwogene. Het hof leidt uit die rechtspraak af dat een beslissing omtrent de kwalificatie "afvalstof" dient te geschieden onder afweging van alle bijzondere omstandigheden van het geval, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn (milieubescherming) en gewaakt moet worden niet aan de doeltreffendheid daarvan afbreuk te doen.

(...)

6. Ten aanzien van het verweer dat ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde geen sprake is van afvalstoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten overweegt het hof dat het bij bodembescherming in het bijzonder gaat om het voorkomen, respectievelijk beperken of ongedaan maken van een nadelige beïnvloeding van de bodem. Onder nadelige beïnvloeding dient te worden verstaan iedere verandering van materie of van - fysische, chemische of biologische - hoedanigheden die een vermindering of bedreiging betekent van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft (Memorie van Toelichting, kamerstukken 16529, nr. 3, p. 8).

7. Het hof is van oordeel dat het aangetroffen asfaltgranulaat en puingranulaat naar zijn aard geschikt is de bodem te verontreinigen in de zin van het voorgaande. Het hof verwerpt het verweer derhalve voor zover het op deze stoffen betrekking heeft, voor het overige zal het hof het verweer op dit onderdeel honoreren."

5.5. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat voor de vraag of in dit geval van afvalstoffen sprake is, aansluiting dient te worden gezocht bij de in zijn overweging genoemde Richtlijn en bij hetgeen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000 ten aanzien van die Richtlijn heeft overwogen. In dat arrest heeft het Hof van Justitie, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de vraag of sprake is van een afvalstof in de zin van de Richtlijn moet worden beoordeeld "met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan" (rov. 73). Voorts heeft het Hof bij de beoordeling of van de stoffen een nadelige invloed in de zin van art. 13 Wbb kan uitgaan een juiste maatstaf aangelegd. Dit alles brengt mee dat het oordeel van het Hof dat van afvalstoffen sprake is geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. De enkele aangevoerde omstandigheid dat niet van zodanige verontreiniging sprake was dat de desbetreffende stoffen niet als bouwstof konden worden ingezet of anderszins konden worden hergebruikt, noopte het Hof niet zijn oordeel nader te motiveren.

5.6. Het middel faalt.

6. Beoordeling van het de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 april 2007.