Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AY9933

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
43019
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AY9933
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2006:AV1321, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Is de betalingskorting voor de vennootschapsbelasting belast? Artikel 10, letter d, Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2007/61
BNB 2007/232 met annotatie van A.O. LUBBERS
V-N 2007/28.16 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1056 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.019

8 juni 2007

EC

Gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 4 januari 2006, nr. 03/02174, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 8.459.222, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 21 augustus 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft bij de betaling van de aan haar opgelegde voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 ingevolge het bepaalde in artikel 27a van de Invorderingswet 1990 een betalingskorting genoten ten bedrage van ƒ 35.180. Onder verwijzing naar artikel 10, aanhef en letter d, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 2000; hierna: de Wet), heeft zij bij haar aangifte voor het jaar 2000 dit bedrag niet aangemerkt als winst. De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de onderhavige aanslag de betalingskorting wel tot de winst gerekend.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende gerealiseerde betalingskorting door haar is genoten in het kader van de betaling van een belastingaanslag, waarvan de omvang door de betalingskorting niet wordt verminderd. Het op grond van artikel 10, aanhef en letter d, van de Wet bij het bepalen van de winst niet in aanmerking te nemen bedrag aan vennootschapsbelasting is derhalve, aldus het Hof, het bedrag van de desbetreffende belastingaanslag, exclusief een eventueel gerealiseerde betalingskorting. Het middel richt zich onder meer tegen dit oordeel.

3.3. Het middel faalt in zoverre.

3.3.1. Uit artikel 2, lid 5, van de Wet volgt dat bij een besloten vennootschap, zoals belanghebbende, voor de berekening van de winst geen onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfsmatige en niet-bedrijfsmatige inkomsten en uitgaven en dat het betalen van de schulden van de vennootschap als een bedrijfshandeling is aan te merken. Ingevolge het bepaalde in artikel 10, aanhef en letter d, van de Wet komt echter de vennootschapsbelasting bij de bepaling van de winst niet in aftrek. Voor de vraag of de door een belastingplichtige genoten betalingskorting tot de winst moet worden gerekend, is derhalve beslissend of deze kan worden aangemerkt als een vermindering van de vennootschapsbelasting in de zin van artikel 10, letter d, van de Wet.

3.3.2. Deze vermindering van het op de aanslag te betalen bedrag hangt samen met het tijdstip waarop dat bedrag wordt betaald en kan daarom worden aangemerkt als een premie op snelle betaling van het op de aanslag verschuldigde bedrag. Omdat deze premie op snelle betaling ook niet het bedrag van de aanslag doet verminderen, dient deze naar haar aard niet te worden aangemerkt als vennootschapsbelasting in de zin van artikel 10, aanhef en letter d, van de Wet. Zulks strookt met hetgeen is opgemerkt in de Memorie van toelichting bij het voorstel van wet waarin de betalingskorting van artikel 27a van de Invorderingswet 1990 werd ingevoerd (Kamerstukken II 1996/97, 25 051, nr. 3, blz. 13):

"De betalingskorting is een korting die niet ten laste komt van de betaalde belasting. Indien een betalingskorting op een voorlopige aanslag is verleend kan derhalve niettemin het volledige bedrag van de voorlopige aanslag worden verrekend met de aanslag (op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)."

3.4. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R.Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2007.