Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AY9928

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
42683
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AY9928
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5908, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 17 Wet op de inkomstenbelasting 1964. Man-vrouwfirma. Overdracht helft buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen aan echtgenote.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 605
BNB 2007/139 met annotatie van M.J. HOOGEVEEN
FED 2007/10 met annotatie van R.P.C. CORNELISSE
Belastingadvies 2007/2.4
V-N 2007/6.13 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.683

5 januari 2007

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 september 2005, nr. 03/00744, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 268.734.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 29 augustus 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende (geboren in 1950) en zijn echtgenote (geboren in 1951) oefenen sinds 1 januari 1986 in de vorm van een maatschap tezamen het bakkersbedrijf uit. Zij zijn in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

3.1.2. Vóór 1 januari 1986 oefende belanghebbende het bakkersbedrijf uit in de vorm van een eenmanszaak. Hij heeft de activa en passiva van de eenmanszaak in de maatschap ingebracht naar de stand op 31 december 1985 en voorts zijn volle arbeid, vlijt, kennis en, voorzover van belang, zijn relaties ingebracht. Het woon/winkelpand met bakkerij, aanhorigheden en ondergrond (hierna: het pand), heeft hij niet ingebracht, en dat vormde derhalve voor hem buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Het gebruik en het genot van het pand is wel in de maatschap ingebracht. De echtgenote van belanghebbende heeft haar volle arbeid, vlijt, kennis en, voorzover van belang, haar relaties ingebracht.

3.1.3. In de maatschapsakte was tot 1994 bepaald dat de winsten en de verliezen van de maatschap door belanghebbende voor 75 percent en door zijn echtgenote voor 25 percent worden genoten en gedragen. Met ingang van 1994 deelde elk van beiden voor 50 percent in de jaarwinst van de maatschap. De 75/25-verdeling is toen gehandhaafd ten aanzien van de buitengewone baten en lasten, waaronder ook liquidatiewinst en -verlies zijn begrepen.

3.1.4. De echtgenoten wilden uiteindelijk toe naar een evenredige verdeling van de gehele onderneming, dat wil zeggen dat beide echtgenoten voor 50 percent gerechtigd zijn in de maatschap en dat ook het pand op dezelfde voet in de maatschap is ingebracht. Hiertoe droeg belanghebbende in het onderhavige jaar (1999) 25 percent van de gerechtigdheid tot de buitengewone baten en lasten over aan zijn echtgenote, alsmede de helft van zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen (het pand). In een aanvulling op de maatschapsakte, die door belanghebbende (de ondergetekende sub 1) en zijn echtgenote (de ondergetekende sub 2) op 14 juni 1999 is ondertekend, is daartoe het volgende bepaald:

Artikel 1

Met ingang van 1 januari 1999 heeft de ondergetekende sub 1 de helft van zijn persoonlijke ondernemingsvermogen overgedragen aan de ondergetekende sub 2; (...)

Artikel 2

A. Het jaarlijkse resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening wordt als volgt verdeeld, ongeacht of dit bedrijfsresultaat positief of negatief is:

de ondergetekende sub 1 ontvangt of draagt vijftig procent (50%);

de ondergetekende sub 2 ontvangt of draagt vijftig procent (50%);

B. De buitengewone baten of lasten, waaronder begrepen overdrachts- of stakingswinsten dan wel -verliezen worden als volgt verdeeld:

de ondergetekende sub 1 ontvangt of draagt vijftig procent (50%);

de ondergetekende sub 2 ontvangt of draagt vijftig procent (50%);

(...)

3.1.5. Bij belanghebbendes aangifte voor de inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar is verzocht om toepassing van de zogenoemde doorschuiffaciliteit van artikel 17 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ter zake van de hiervoor onder 3.1.4 vermelde overdrachten.

3.1.6. De waarde van het pand is op 5 oktober 1999 vastgesteld op ƒ 625.000.

3.1.7. De Inspecteur heeft bij de vaststelling van de aanslag de doorschuiffaciliteit van artikel 17 van de Wet toegepast op de wijziging in de verdeling van de buitengewone baten en lasten, maar geweigerd om deze faciliteit toe te passen op de overdracht van de helft van belanghebbendes buitenvennootschappelijk onderne-mingsvermogen (het pand).

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 17 van de Wet niet de ruimte biedt de doorschuiffaciliteit toe te passen op de winst die belanghebbende in het onderhavige jaar heeft behaald met de overdracht aan zijn echtgenote van het belang van 50 percent in het pand. Deze overdracht is aan te merken als een inbreng van het pand in de maatschap en staat als zodanig los van de wijziging van de verdeling van de buitengewone baten en lasten van de maatschap. Van de door belanghebbende met de inbreng behaalde winst kan daarom naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat zij is behaald met of bij de staking van het aan zijn echtgenote overgedragen gedeelte van zijn onderneming. Daaraan doet volgens het Hof niet af dat het pand dienstbaar is aan de gehele, gezamenlijke onderneming, en evenmin dat de inbreng heeft plaatsgevonden tegelijk met de hiervoor in 3.1.4 vermelde overdracht van 25 percent van de gerechtigdheid tot de buitengewone baten en lasten en tot doel had om als sluitstuk de echtgenote voor 50 percent te laten delen in het belang van het pand. Tegen deze oordelen keren zich de middelen.

3.3. De hiervoor in 3.1.4 vermelde feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de gedeeltelijke overdracht van het buitenvennootschappelijk ondernemings-vermogen van belanghebbende (het pand) aan diens echtgenote heeft plaatsgevonden in samenhang met en in het kader van een overdracht van een deel van de onderneming, die erop was gericht dat de (materiële) onderneming elk van beide echtgenoten voortaan voor de helft aanging. Dat brengt mee dat voor de toepassing van artikel 17 van de Wet die gedeeltelijke overdracht onderdeel uitmaakt van de overdracht van een gedeelte van de onderneming van belanghebbende aan diens echtgenote. 's Hofs andersluidende oordeel is onjuist.

De middelen slagen derhalve. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Nu het standpunt van belanghebbende met betrekking tot het te beslechten geschilpunt juist is bevonden en de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat dit leidt tot een verlies van ƒ 4476, zal de Hoge Raad niet slechts de aanslag verminderen tot nihil, doch tevens het verlies vaststellen op laatstgenoemd bedrag.

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede die van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot nihil,

stelt het verlies over het jaar 1999 vast op ƒ 4476,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 31, derhalve in totaal € 134,

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2007.