Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AY9471

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
42768
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AY9471
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AU5250, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aanpassing verplichte aangifte ex artikel 22 WVA is geen ‘vrijwillige verbetering’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/254 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 2007/78
V-N 2007/30.7 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1156 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.768

22 juni 2007

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2005, nr. 03/00806, betreffende na te melden ten aanzien van X Holding B.V. te Z gegeven boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede ter zake van de door haar over dat tijdvak toegepaste S&O-afdrachtvermindering een boete opgelegd van € 1409. De boete is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden uitspraak en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 3 augustus 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Bij beschikking van 20 februari 2001 is aan belanghebbende een verklaring (hierna: de S&O-verklaring) afgegeven als bedoeld in artikel 24, lid 1, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: WVA) betreffende door belanghebbende in 2001 te verrichten speur- en ontwikkelingswerk. Daarin is een maximum aan door belanghebbende toe te passen voorlopige S&O-afdrachtvermindering vermeld van € 16.518.

Bij haar vier kwartaalaangiften loonbelasting/premie volksverzekeringen over 2001 heeft belanghebbende in totaal dat maximale bedrag in mindering gebracht op de door haar afgedragen loonbelasting en premie volksverzekeringen.

Op 15 april 2002 heeft belanghebbende aangifte gedaan als bedoeld in artikel 22 WVA. Volgens die aangifte was het bedrag aan toe te passen S&O-afdrachtvermindering gelijk aan het meervermelde maximale bedrag, dus aan het totaal van de voorlopige S&O-afdrachtverminderingen. De aangifte resulteerde niet in een te betalen of terug te vragen bedrag.

Bij brief van 13 juni 2002 heeft belanghebbende haar aangifte gecorrigeerd. Uit de brief bleek dat het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen meer bedroeg dan het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering waarop belanghebbende over 2001 recht had, te weten € 10.880. Belanghebbende verzocht de Inspecteur voor het verschil van € 5.638 een aanslag op te leggen.

Na een boekenonderzoek heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag opgelegd en tevens de onderhavige vergrijpboete ter grootte van 25 percent van het nageheven bedrag van € 5.638.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de boete terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Het Hof heeft geoordeeld, kort samengevat, dat met de brief van 13 juni 2002 een 'vrijwillige verbetering' heeft plaatsgevonden als bedoeld in paragraaf 28, lid 3, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998), en dat daarom geen vergrijpboete mocht worden opgelegd. Tegen dat oordeel richt zich het middel.

3.3.1. In artikel 28 WVA is geregeld dat aan een inhoudingsplichtige een vergrijpboete kan worden opgelegd indien het aan diens opzet of grove schuld te wijten is dat over een kalenderjaar het totaal der voorlopige S&O-afdrachtverminderingen het bedrag van de S&O-afdrachtvermindering met twintig percent of meer overschrijdt.

3.3.2. Paragraaf 28, lid 3, BBBB 1998, welke bepaling ingevolge paragraaf 30, lid 2, BBBB 1998 van overeenkomstige toepassing is verklaard op vergrijpboeten ingevolge artikel 28 WVA, stelt als eis voor 'vrijwillige verbetering' dat de belanghebbende aan de inspecteur schriftelijk uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.

3.3.3. De inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven, is ingevolge artikel 22, lid 1, WVA verplicht binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar aangifte te doen als bedoeld in dat artikellid. Het nakomen van deze verplichting kan niet worden aangemerkt als een 'vrijwillige verbetering' van het bedrag van de in het vorige jaar toegepaste voorlopige S&O-afdrachtverminderingen. Dat geldt ook voor een na afloop van die termijn ingezonden aanpassing van die aangifte.

3.4. 's Hofs op een andere, onjuiste opvatting berustend oordeel is derhalve onjuist. Het middel slaagt. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van de geschilpunten waaraan het Hof niet is toegekomen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2007.