Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AY8543

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
42624
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AY8543
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verweer inspecteur ter zitting gepasseerd; cassatie wegens onvoldoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/283 met annotatie van E.B. PECHLER
Belastingadvies 2007/7.6
V-N 2007/12.8 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.624

23 februari 2007

TRP

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 26 augustus 2005, nr. 02/04394, betreffende na te melden aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 57.404.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 53.883. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen

's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 18 juli 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift aan het Hof, na een opsomming van in geschil zijnde posten, geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak, onder verwijzing naar (de door hem ingenomen standpunten in) op dat moment lopende beroepszaken over de jaren 1990 tot en met 1993 en 1995 tot en met 1998, zulks onder het aanbod om eventueel de op die oude beroepszaken betrekking hebbende relevante stukken aan het Hof te doen toekomen. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet van een daartoe strekkend verzoek, noch van het Hof, noch van belanghebbende. Gelet op een en ander behoefde 's Hofs oordeel dat belanghebbendes beroep door de Inspecteur niet is weersproken, nadere motivering, welke echter ontbreekt. Onderdeel a van het middel, dat daarover klaagt, slaagt derhalve.

3.2. Het Hof heeft geen acht geslagen op het ter zitting door de Inspecteur gevoerde verweer, en daartoe redengevend geacht dat de Inspecteur daarbij standpunten heeft ingenomen welke een uitbreiding vormen van de rechtsstrijd. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is echter niet duidelijk waarin de door het Hof bedoelde uitbreiding van de rechtsstrijd gelegen is.

Voorts blijkt niet dat het Hof bij zijn afweging ook aandacht heeft besteed aan de reden welke de Inspecteur ter zitting mede heeft gegeven voor zijn nader betoog aldaar, te weten dat acht dagen vóór de zitting in de onderhavige zaak het Hof uitspraken had gedaan inzake beroepen van belanghebbende over de jaren 1996 en 1997. Ten slotte overweegt het Hof wel dat behandeling van de standpunten van de Inspecteur zonder uitstel belanghebbende onredelijk in zijn processuele positie zou benadelen, maar ontbreekt een overweging waarom niet tot uitstel kon worden overgegaan door het onderzoek ter zitting te schorsen. Ook op die punten is 's Hofs beslissing om geen acht te slaan op het ter zitting gevoerde verweer ontoereikend gemotiveerd.

Onderdeel b van het middel slaagt evenzeer.

3.3. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwde behandeling van de zaak in volle omvang.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J.W.M. Tijnagel in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2007.