Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AY5991

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
42537
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AY5991
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2005:AU1967, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet IB 2001. Inkomsten uit trust. Box 1 of box 3?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 2
NJB 2008, 26
FED 2008/23 met annotatie van J.P. BOER
BNB 2008/122 met annotatie van R.M. FREUDENTHAL
Belastingadvies 2007/22.4
V-N 2007/49.8 met annotatie van Redactie
FutD 2007-2018 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2007/2036 met annotatie van mr. M.B. Lucas Luijckx
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 42.537

26 oktober 2007

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 8 juli 2005, nr. 03/02416, betreffende na te melden aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 203.420 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.871, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.152 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 109.672. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. I.A. Koele, advocaat te Utrecht.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 29 juni 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is in november 1988 in de Verenigde Staten van Amerika gehuwd - voor beiden in tweede echt - met A (hierna: A). A is op 1 januari 1998 overleden. Na diens overlijden verkreeg belanghebbende rechten jegens een door A ingestelde trust, waarin een groot deel van A's vermogen was ingebracht.

3.1.2. Artikel 7 van de trustakte luidt als volgt:

"QUALIFIED TRUST FOR WIFE

The Qualified Trust established for my wife X shall be administrated in accordance with this Article 7.

7.1 Introduction: Marital Deduction Trust.

This trust is intended to qualify for the marital deduction under the federal estate tax laws, and shall be interpreted in accordance with that fundamental goal. In addition, since my wife is not presently a United States citizen, the Qualified Trust shall also be established to qualify as a Qualified Domestic Trust under the special estate tax laws applicable to the marital deduction for foreign citizens.

7.2 Income to wife.

The Trustee shall pay to my wife, X, the entire net income of the Qualified Trust. If the Trustee considers the net income to be insufficient, then the Trustee may, from time to time, pay to X such sums of principal as the Trustee considers necessary for her health, support and maintenance.

7.3 Principal To Children's Trust on Death of Wife.

On the death of my wife, the Trustee shall distribute the remaining principal of the Qualified Trust to my children, in equal shares. Any undistributed net income shall first be distributed to my wife's estate, as required by law.

(...)

7.4 Conversion to Income Producing Property.

My wife shall have the right to require the Trustee to convert property to income producing property, to ensure that the trust qualifies for the marital deduction under estate tax laws."

3.1.3. Als trustees zijn aangewezen B en een zoon uit het eerste huwelijk van A.

3.1.4. Belanghebbende woont vanaf 2001 weer in Nederland.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de inkomsten die belanghebbende van de trust ontvangt naar aard en karakter zozeer gelijkend zijn op soortgelijke inkomsten die zonder tussenschuiving van een trust worden ontvangen, dat belanghebbende moet worden beschouwd - naar Nederlandse begrippen - als rechtstreeks rechthebbende op inkomsten uit vermogen. Daarbij is, aldus het Hof, niet van belang dat de desbetreffende inkomsten niet onmiddellijk na ontvangst door de trust worden doorbetaald, doch periodiek. Belanghebbendes inkomsten uit het trustvermogen moeten daarom volgens het Hof worden gerekend tot de inkomsten uit sparen en beleggen, zoals belanghebbende heeft bepleit, en niet tot periodieke uitkeringen die behoren tot de belastbare inkomsten uit werk en woning, zoals de Inspecteur verdedigde. Tegen dit oordeel richt zich het middel.

3.3. Middelonderdeel a betoogt dat de door belanghebbende genoten uitkeringen voldoen aan de omschrijving van artikel 3.101, lid 1, letter c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin als belastbare inkomsten zijn aangewezen - voor zover hier van belang - periodieke uitkeringen die in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde van een prestatie vormen.

Dit betoog faalt. Zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 14 juli 2006, nrs. 39201 en 39262, BNB 2007/18 en 19, dient de vraag of een periodieke uitkering de tegenwaarde van een prestatie vormt, te worden beoordeeld vanuit de positie van de schuldenaar van de periodieke uitkering. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat het vermogen in de onderwerpelijke trust is ingebracht onder de verplichting om aan belanghebbende de in artikel 7 bedoelde uitkeringen te verrichten. Dit onderbrengen van het vermogen is aan te merken als de prestatie, waarin het ontstaan van de verplichting tot het doen van de uitkeringen aan belanghebbende zijn grond vindt. Aldus vormen de door belanghebbende van de trust ontvangen inkomsten de tegenwaarde voor een prestatie en is voormelde bepaling reeds daarom op die inkomsten niet van toepassing. Of die inkomsten als periodieke uitkeringen zijn aan te merken, kan hierbij in het midden blijven.

3.4. Het vorenoverwogene betekent dat de onderwerpelijke inkomsten niet zijn te rekenen tot de inkomsten uit werk en woning (box 1), maar tot de inkomsten uit sparen en beleggen (box 3), zoals belanghebbende heeft verdedigd. Nu het middel niet is gericht tegen de in 's Hofs uitspraak besloten liggende beslissing omtrent de gevolgen van indeling in box 3, behoeft het voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2007.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 428.