Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AY3626

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
42044
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AY3626
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vormen werkzaamheden waarvoor vergoeding wordt betaald uit persoonsgebonden budget aan een verzorger binnen het gezin een bron van inkomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2007/67
BNB 2007/246 met annotatie van R.M. FREUDENTHAL
V-N 2007/27.16 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1066
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.044

8 juni 2007

HdJ

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 25 augustus 2005, nr. 04/02553, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.796, alsmede een boete van € 113. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 20 juni 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbendes zoon A (hierna: de zoon), geboren in 1982, is verstandelijk gehandicapt. De Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) heeft voor het jaar 2001 aan de echtgenoot van belanghebbende (hierna: de echtgenoot), als wettelijk vertegenwoordiger van de zoon, een persoonsgebonden budget toegekend voor de inkoop van zorg voor de zoon. De echtgenoot heeft aan de SVB te kennen gegeven dat de zorg voor de zoon in handen is gegeven van belanghebbende. Blijkens een "jaaropgave 2001" van de SVB is in 2001 aan belanghebbende een bedrag van € 20.795,83 betaald ter zake van verrichte werkzaamheden en diensten in opdracht van de echtgenoot.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht het bedrag van het persoonsgebonden budget tot het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende heeft gerekend.

3.3. Voor het Hof is komen vast te staan dat belanghebbende haar zoon heeft verzorgd en dat zij dit niet in dienstbetrekking of als ondernemer heeft gedaan. Het Hof heeft geoordeeld dat van de werkzaamheden voordeel te verwachten was, dat dit voordeel ook door belanghebbende werd beoogd, en dat de werkzaamheden in het economische verkeer zijn verricht. Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat de werkzaamheden een bron van inkomen vormen, zodat het in verband met de verzorging van de zoon aan belanghebbende toekomende bedrag van het persoonsgebonden budget belastbaar is als resultaat uit overige werkzaamheden.

3.4. Voor zover de middelen gericht zijn tegen 's Hofs oordeel dat de werkzaamheden in het economische verkeer zijn verricht, falen zij.

Ingevolge artikel 2.5.2.7, lid 1, van de hier van toepassing zijnde Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfondswet (tekst 2001; hierna: de Regeling) zijn persoonsgebonden budgetten - voor zover thans van belang - "uitsluitend bestemd voor de betaling van: a. kosten van door de in aanmerking komende verzekerden ingekochte navolgende zorgonderdelen, te weten: 1e (...), 2e verzorging (...)". Voorts is in artikel 2.5.2.11, lid 3, van de Regeling bepaald dat (kort gezegd) het niet-forfaitaire deel van het toegekende persoonsgebonden budget "beschikbaar [wordt] gesteld voor betaling van door verzekerden gecontracteerde hulpverleners".

Uit deze bepalingen volgt dat het persoonsgebonden budget uitsluitend bestemd is om - binnen de grenzen en voorwaarden van de Regeling - zorg "in te kopen". Het door een verzekerde "inkopen" van zorg door gecontracteerde hulpverleners die wordt gefinancierd vanuit een aan die verzekerde toegekend persoonsgebonden budget, geschiedt derhalve in het economische verkeer; dat geldt ongeacht of de gecontracteerde hulpverlener al dan niet tevens in familie- of gezinsverband staat tot de verzekerde. Een en ander brengt mee dat ook de werkzaamheden die door de aldus gecontracteerde hulpverlener worden verricht, steeds worden verricht in het economische verkeer.

Nu in het onderhavige geval vaststaat dat het toegekende persoonsgebonden budget is aangewend om verzorging door belanghebbende in te kopen en dat belanghebbende voor die werkzaamheden betaald is vanuit dat budget, heeft het Hof - wat er zij van de daartoe door het Hof gebezigde gronden - met juistheid geoordeeld dat die werkzaamheden in het economische verkeer zijn verricht.

3.5. De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2007.