Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AX9111

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
43045
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AX9111
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBARN:2006:AV2024, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 26b en art. 29, lid 4, Wet LB 1964. Leidt ontbreken of niet ondertekenen loonbelastingverklaring tot toepassing anoniementarief?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2007/60 met annotatie van Redactie
BNB 2007/248 met annotatie van P. KAVELAARS
V-N 2007/27.19 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1055 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 43.045

8 juni 2007

wv

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van de Rechtbank te Arnhem van 11 januari 2006, registratienummer: AWB 05/2712 LB/PVV, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor de Rechtbank

Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen alsmede een boete opgelegd. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 88.787 en een boete van ƒ 22.197.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken waarvan beroep vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen van ƒ 61.778 (€ 28.034) en de boete tot een bedrag van ƒ 15.445 (€ 7009). De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 8 juni 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende exploiteert een uitzendbureau.

Op 24 juni 2003 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het onderhavige tijdvak. Van de bevindingen van het boekenonderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 22 januari 2004. In de loonadministratie zijn volgens het controlerapport een aantal gebreken geconstateerd waarvan in cassatie nog slechts van belang zijn het ontbreken van loonbelastingverklaringen van zes werknemers en het ontbreken van de handtekening op de loonbelastingverklaringen van vijf andere werknemers.

3.1.2. Naar aanleiding van de constateringen uit het boekenonderzoek heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is onder meer met betrekking tot de hiervoor genoemde gebreken op grond van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2001; hierna: de Wet) het tarief voor anonieme werknemers (hierna: het anoniementarief) toegepast.

3.2.1. Voor de Rechtbank was tussen partijen in geschil of in de onderhavige situatie, waarin de gegevens betreffende naam, adres en woonplaats van de hiervoor in 3.1.1 bedoelde werknemers in de loonadministratie van belanghebbende aanwezig waren, vanwege het enkele ontbreken van de loonbelastingverklaringen van zes werknemers, en vanwege het niet ondertekend zijn van de loonbelastingverklaringen van vijf andere werknemers, het anoniementarief moet worden toegepast. De Rechtbank heeft geoordeeld dat die vraag in beide gevallen ontkennend moet worden beantwoord.

3.2.2. Middel I is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank omtrent het eerstbedoelde hiervoor in onderdeel 3.2.1 vermelde geval.

3.2.3. Op grond van de tussen het bepaalde in artikel 26b en artikel 29, lid 4, van de Wet bestaande samenhang - welke ook de wetgever voor ogen heeft gestaan, blijkens de in de onderdelen 2.1 en 2.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven wetsgeschiedenis - moet onder het verstrekken van naam, adres en woonplaats door de werknemer aan de inhoudingsplichtige, op niet-nakoming van de verplichting waartoe eerstvermeld artikel een sanctie stelt, worden verstaan het verstrekken van die gegevens op de wijze als in laatstvermeld artikellid geregeld, dus door middel van een loonbelastingverklaring. Daaruit volgt dat, ingeval de verstrekking van naam, adres of woonplaats van de werknemer niet door middel van een loonbelastingverklaring is geschied, het in artikel 26b voorgeschreven anoniementarief moet worden toegepast, ook in het geval waarin de inhoudingsplichtige langs andere weg van naam, adres en woonplaats van de werknemer op de hoogte is.

Middel I slaagt derhalve.

3.3.1. Middel II is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat toepassing van het anoniementarief achterwege dient te blijven in het geval waarin van een werknemer weliswaar een loonbelastingverklaring in de loonadministratie aanwezig is, maar daarop de handtekening van de werknemer ontbreekt.

3.3.2. De handtekening strekt ertoe buiten twijfel te stellen wie de verklaring heeft ingevuld. Zonder die handtekening kan in het algemeen niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verstrekte gegevens en verklaringen daadwerkelijk afkomstig zijn van degene die in de verklaring wordt genoemd. Mede gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 3.2.3 is overwogen, moet worden geoordeeld dat indien de handtekening ontbreekt, in het algemeen de gegevens niet zijn verstrekt als in artikel 26b in verbinding met artikel 29, lid 4, van de Wet bedoeld, zodat het in artikel 26b voorgeschreven anoniementarief moet worden toegepast.

Ook middel II slaagt derhalve.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hiervoor in onderdeel 3.2.1 weergeven oordeel van de Rechtbank onjuist is. De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Tussen partijen is niet in geschil dat de Rechtbank de boete terecht heeft verminderd tot een bedrag van € 7009 en dat de enkelvoudige belasting in elk geval moet worden verminderd met ƒ 13.462 (€ 6108).

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch slechts voor zover daarbij de naheffingsaanslag is verminderd tot € 28.034, en vermindert de naheffingsaanslag tot ƒ 75.325 (€ 34.180).

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2007.