Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AX9096

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2007
Datum publicatie
08-06-2007
Zaaknummer
42171
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AX9096
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AT4758, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 26b en art. 29, lid 4, Wet LB 1964. Leidt ontbreken of niet ondertekenen loonbelastingverklaring tot toepassing anoniementarief?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2007/59
BNB 2007/247 met annotatie van P. KAVELAARS
Belastingadvies 2007/13.11
V-N 2007/27.18 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1055 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.171

8 juni 2007

wv

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 april 2005, nr. BK-03/00987, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van ƒ 1.135.910, alsmede een boete van ƒ 283.977. De naheffingsaanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur, gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken waarvan beroep vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen van ƒ 354.696 (€ 160.954) en de boete tot een bedrag van € 40.238. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 8 juni 2006 geconcludeerd tot gegrondverklaring van de middelen II en III van het cassatieberoep van de Staatssecretaris, vernietiging van de Hofuitspraak en verwijzing naar een ander gerechtshof en tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van belanghebbende.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van belanghebbende

Het beroepschrift in cassatie van belanghebbende bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zulks vereist, niet de gronden van het beroep.

Bij aangetekende brief van 1 juni 2005, waarvan een ontvangstbevestiging is binnengekomen, heeft de Griffier van de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen.

Nu herstel van het verzuim niet heeft plaatsgevonden, zal de Hoge Raad, gezien het bepaalde in artikel 6:6 Awb, het beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaren.

4. Beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

4.1.1. Belanghebbende exploiteert een uitzendbureau in de vorm van een eenmanszaak. Op 1 februari 2001 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonbelasting over het onderhavige tijdvak.

4.1.2. Uit het boekenonderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 juni 2002, is onder meer naar voren gekomen dat in de loonadministratie van belanghebbende van een aantal werknemers afschriften van identiteitsbewijzen ontbraken, dan wel afschriften van valse of vervalste identiteitsbewijzen, en geen dan wel onjuist ingevulde loonbelastingverklaringen aanwezig waren. Voorts bleek daaruit dat een aantal werknemers op de sofinummers van andere personen had gewerkt.

4.1.3. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek is aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag met boete opgelegd. De Inspecteur heeft daarbij de belastingschuld berekend met toepassing van het zogenoemde anoniementarief van artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 (in de voor het onderhavige tijdvak geldende tekst; hierna de Wet).

4.2. Middel I betoogt dat het Hof (in onderdeel 6.1.3 van zijn uitspraak) ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur geen belang heeft bij zijn beroep op de zogenoemde omkering van de bewijslast ingevolge artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Het middel slaagt, omdat het Hof aan het slot van onderdeel 6.2.2 van zijn uitspraak ervan is uitgegaan dat de Inspecteur de bewijslast draagt van de afwezigheid van een vijftal identiteitsbewijzen in de loonadministratie van belanghebbende ten tijde van het boekenonderzoek, en toepasselijkheid van artikel 27e AWR tot een tegenovergestelde bewijslastverdeling zou kunnen leiden.

4.3.1. Middel II keert zich primair tegen 's Hofs oordeel dat het ontbreken van een loonbelastingverklaring niet leidt tot toepassing van het anoniementarief ingeval de werknemer op andere wijze dan door middel van een zodanige verklaring zijn naam, adres en woonplaats aan de inhoudingsplichtige heeft verstrekt en die gegevens in de administratie van de inhoudingsplichtige zijn opgenomen.

4.3.2. Op grond van de tussen het bepaalde in artikel 26b en artikel 29, lid 4, van de Wet bestaande samenhang - welke ook de wetgever voor ogen heeft gestaan, blijkens de in de onderdelen 2.3 en 2.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven wetsgeschiedenis - moet onder het verstrekken van naam, adres en woonplaats door de werknemer aan de inhoudingsplichtige, op niet-nakoming van de verplichting waartoe eerstvermeld artikel een sanctie stelt, worden verstaan het verstrekken van die gegevens op de wijze als in laatstvermeld artikellid geregeld, dus door middel van een loonbelastingverklaring. Daaruit volgt dat, ingeval de verstrekking van naam, adres of woonplaats van de werknemer niet door middel van een loonbelastingverklaring is geschied, het in artikel 26b voorgeschreven anoniementarief moet worden toegepast, ook in het geval waarin de inhoudingsplichtige langs andere weg van naam, adres en woonplaats van de werknemer op de hoogte is.

Het hiervoor in onderdeel 4.3.1 weergegeven oordeel van het Hof is derhalve onjuist. Middel II is in zoverre gegrond en behoeft voor het overige geen behandeling.

4.4.1. Middel III keert zich in de eerste plaats tegen 's Hofs oordeel (in onderdeel 6.6.4) dat het door de werknemer niet of onjuist verstrekken van de gevraagde gegevens in de loonbelastingverklaring slechts gevolgen heeft voor het toepassen van de tariefgroep, en dat geen rechtsregel bepaalt dat bij het niet of onvolledig verstrekken van de gevraagde gegevens het anoniementarief dient te worden toegepast.

4.4.2. Uit de tekst van artikel 26b van de Wet en de in onderdeel 2.3 van de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling volgt dat met die bepaling is beoogd het anoniementarief mede te doen gelden in gevallen waarin weliswaar een loonbelastingverklaring wordt ingeleverd, doch in die verklaring omtrent de persoon van de werknemer gegevens voorkomen waarvan de inhoudingsplichtige weet of redelijkerwijs moet weten dat zij niet juist zijn. 's Hofs hiervoor in onderdeel 4.4.1 weergegeven oordeel is derhalve onjuist, zodat middel III in zoverre terecht wordt voorgesteld.

4.4.3. Middel III keert zich voorts tegen het (in onderdeel 6.6.6 gegeven) oordeel van het Hof dat de wet noch enige andere rechtsregel de inhoudingsplichtige verplicht de handtekening op het identiteitsbewijs te controleren met de handtekening op de loonbelastingverklaring.

Uit de door de Advocaat-Generaal in de onderdelen 2.3 en 3.5 van zijn conclusie weergegeven wetsgeschiedenis moet worden afgeleid dat ingevolge artikel 26b van de Wet op de inhoudingsplichtige een zekere verantwoordelijkheid rust de juistheid van de door de werknemer verstrekte gegevens betreffende naam, adres, woonplaats of identiteit te onderzoeken, welke verantwoordelijkheid kan inhouden, indien sprake is van omstandigheden die daartoe redelijkerwijs aanleiding geven, dat hij het identiteitsbewijs en de bij de loonbelastingverklaring verstrekte gegevens met elkaar vergelijkt.

Met zijn hiervoor in dit onderdeel weergegeven oordeel heeft het Hof zulks miskend. Middel III is ook voor het overige derhalve terecht voorgesteld.

4.5.1. Middel IV strekt blijkens de toelichting onder meer ten betoge dat het Hof ten onrechte, althans op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, heeft geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van de personen die hebben gewerkt met identiteitsbewijzen ten name van L en M, niet het anoniementarief heeft toegepast.

4.5.2. Ten aanzien van L heeft de Inspecteur door de verwijzing in het verweerschrift naar de daarbij als bijlage 7 gevoegde brief van 17 december 2002 voor het Hof gesteld - van welke stelling uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat zij is bestreden - dat van deze werknemer een slechte kopie van de voorzijde van zijn identiteitsbewijs in de administratie van belanghebbende is aangetroffen en dat de achterzijde niet is aangetroffen.

Gelet op het in onderdeel 6.3 van de uitspraak van het Hof gegeven oordeel dat met betrekking tot werknemers van wie een afschrift van de achterkant van het identiteitsbewijs in de loonadministratie van belanghebbende ontbreekt, de Inspecteur terecht het anoniementarief heeft toegepast, welk oordeel juist is, had het Hof reeds hierom tot de conclusie moeten komen dat ten aanzien van L het anoniementarief diende te worden toegepast, zodat het middel in zoverre slaagt.

4.5.3. In de hiervoor in onderdeel 4.5.2 vermelde brief van 17 december 2002 heeft de Inspecteur gesteld - eveneens onbestreden - dat het deel van de loonbelastingverklaring met de handtekening van M niet in de administratie van belanghebbende is aangetroffen. De handtekening strekt ertoe buiten twijfel te stellen wie de verklaring heeft ingevuld. Zonder die handtekening kan in het algemeen niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verstrekte gegevens en verklaringen daadwerkelijk afkomstig zijn van degene die in de verklaring wordt genoemd. Mede gelet op hetgeen hiervoor in onderdeel 4.3.2 is overwogen, moet worden geoordeeld dat indien de handtekening ontbreekt, in het algemeen de gegevens niet zijn verstrekt als in artikel 26b in verbinding met artikel 29, lid 4, van de Wet bedoeld, zodat het in artikel 26b voorgeschreven anoniementarief moet worden toegepast. Ook in zoverre slaagt het middel.

4.5.4. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2, 4.3.2, 4.4.2, 4.4.3, 4.5.2 en 4.5.3 is overwogen, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk,

verklaart het beroep van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2007.