Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AX6369

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
41715
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AX6369
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AR7276
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

GDT; tariefindeling “rice-paper”; post 1901 of post 1905. Artikel 220, lid 2, letter b, CDW. Kan de nationale rechter buiten de Commissie en het HvJ EG om beslissen dat navordering afstuit op dat artikel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/294 met annotatie van B.A. van Brummelen
FutD 2007-1332
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.715

13 juli 2007

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 december 2004, nr. 01/90096 DK, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) gerichte uitnodigingen tot betaling van douanerechten.

1. Uitnodigingen tot betaling, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende is bij één aanslagbiljet, gedagtekend 22 november 2000, uitgenodigd tot betaling van bedragen aan douanerechten, in totaal f 645.399,50, ter zake van door haar in de periode 13 november 1997 tot en met 31 december 1998 voor het vrije verkeer aangegeven goederen, omschreven als "rice-paper". Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de uitnodigingen tot betaling gehandhaafd, met uitzondering van een uitnodiging tot betaling tot een bedrag van f 13.650,30 met betrekking tot een aangifte van 16 maart 1998, welke uitnodiging ongedaan is gemaakt.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Tariefcommissie.

Het Hof, in de plaats getreden van de Tariefcommissie, heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de uitnodigingen tot betaling vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep beantwoord.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 12 april 2006 geconcludeerd tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

3.1. Het incidentele beroep in cassatie heeft betrekking op het tarief van douanerecht dat geldt voor de bij de onderhavige aangiften voor het vrije verkeer aangegeven goederen.

3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat het gaat om een product dat is gemaakt van de ingrediënten rijstmeel, water en zout. De drie bestanddelen worden vermengd en gekneed tot deeg, waarvan klompjes worden gevormd. Deze klompjes worden gewalst tot cirkelvormige, doorzichtige vellen, die vervolgens worden gedroogd. Het product als zodanig is niet geschikt voor directe consumptie, maar moet daartoe eerst een warmtebehandeling ondergaan.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat voor de bepaling van het tarief dit product moet worden ingedeeld onder post 1905 90 20 van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT).

Deze post luidt als volgt:

"1905 Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel:

(...)

1905 90- andere:

(...)

1905 90 20 -- ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten, van meel of van zetmeel."

3.4. Middel 1 herhaalt het door belanghebbende voor het Hof gehouden betoog dat aan indeling van het onderhavige product onder deze post in de weg staat dat het product niet gebakken doch slechts gedroogd is, en dat het product moet worden ingedeeld onder post 1901 90 99 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: de GN) welke post luidt als volgt:

"1901 Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen;

(...)

1901 90 - andere:

(...)(...)

1901 90 99--- andere".

3.5. In de omschrijving van post 1905 is het gebakken zijn van de vermelde goederen niet uitdrukkelijk als een kenmerkende hoedanigheid opgenomen. Zoals het Hof met juistheid heeft overwogen, blijkt uit de door de Wereld Douane-Organisatie opgestelde toelichting - een gezaghebbend hulpmiddel bij de uitlegging van de GN - dat bij post 1905 van het Geharmoniseerd Systeem, waar het betreft "communion wafers, empty cachets of a kind suitable for pharmaceutical use, sealing wafers, rice paper and similar products", is gedacht aan een groep van meel- of zetmeelproducten die meestal gebakken zijn en voorkomen in schijfjes of in bladen of vellen. Dit zou de conclusie toelaten dat niet het gebakken zijn, doch hun dunne vorm het gemeenschappelijke kenmerk is van de meel- of zetmeelproducten die zijn vermeld bij postonderverdeling 1905 90 20.

Evenwel kan ook worden betoogd dat de posten 1901 en 1905 zich van elkaar onderscheiden doordat laatstgenoemde post enkel ziet op voor menselijke consumptie gerede (eind)producten, zodat het onderhavige product, dat nog een bewerking dient te ondergaan alvorens voor consumptie geschikt te zijn, moet worden ingedeeld onder post 1901. Voor die opvatting is enige steun te vinden in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 11 augustus 1995, Uelzena Milchwerke, C-12/94, Jurispr. I-2397, met name punt 12, zij het dat het in dat arrest ging om de toepasselijkheid op een product van het eerste onderdeel (ziende op bakkerswaren) van de omschrijving van post 1905.

3.6. Bij Verordening (EG) nr. 1196/97 van de Commissie van 27 juni 1997, Pb EG nr. L 170, (hierna: de Verordening) is bepaald dat producten die aan de navolgende omschrijving voldoen, dienen te worden ingedeeld onder post 1905 van de GN:

"Voedselbereiding in de vorm van droge doorschijnende vellen met verschillende afmetingen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water. De vellen worden, na weken in water om ze plooibaar te maken, meestal gebruikt om daarvan de "wikkels" voor

loempia's en dergelijke te vervaardigen."

Het onderhavige product voldoet aan deze omschrijving; daarin wordt geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van niet-gebakken vellen.

Aangezien evenwel de bevoegdheid van de Commissie om een verordening vast te stellen ter afbakening van de in de verschillende posten bedoelde typen producten strekt tot verduidelijking van een tariefpost en niet tot wijziging ervan, is, gelet op het hiervoor onder 3.5 overwogene, de geldigheid van de Verordening, voor zover daarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen wel en niet voor directe consumptie geschikte producten, niet boven twijfel verheven.

De Hoge Raad ziet daarom aanleiding om over de uitlegging van postonderverdeling 1905 90 20 en over de geldigheid van de Verordening prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

4. Het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1.1. Het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval op grond van artikel 220, lid 2, letter b, van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) de boeking achteraf van de (hogere) douaneschuld achterwege had moeten blijven. Op die grond heeft het Hof de uitnodigingen tot betaling vernietigd. Hiertegen richt zich het middel.

4.1.2. Uit de stukken van het geding blijkt dat belanghebbende met betrekking tot de onderhavige douaneschuld een verzoek om kwijtschelding ingevolge artikel 239, lid 1, van het CDW heeft gedaan. Dat verzoek is op 19 september 2002 voorgelegd aan de Commissie, die daarop bij beschikking van 17 juni 2004 afwijzend heeft beslist op de grond dat belanghebbende klaarblijkelijk nalatig is geweest. Tegen die beschikking was ten tijde dat het Hof zijn uitspraak deed, beroep aanhangig bij het Gerecht van eerste aanleg. Aan de Hoge Raad is uit ambtshalve ingewonnen inlichtingen gebleken dat op dit beroep inmiddels door het Gerecht van eerste aanleg is beslist bij arrest van 30 november 2006, T-382/04, en dat tegen dat arrest door belanghebbende hogere voorziening is ingesteld bij het Hof van Justitie.

4.1.3. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat voor de beoordeling of de belanghebbende blijk heeft gegeven van klaarblijkelijke nalatigheid in de zin van artikel 239, lid 1, voornoemd, dezelfde criteria gelden als die welke in het kader van artikel 220 van het CDW moeten worden gehanteerd om uit te maken of een vergissing van de douaneautoriteiten door de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon worden ontdekt (zie HvJ EG 13 maart 2003, Cargill, C-156/00, Jurispr. blz. I-2527).

4.1.4. Gelet op het hiervoor in 3, 4.1.2 en 4.1.3 overwogene zal de Hoge Raad in dit arrest, dat geen eindarrest zal zijn, nog geen oordeel geven over het door de Staatssecretaris voorgestelde middel, voor zover dit bestrijdt 's Hofs oordeel dat belanghebbende de vergissing van de douaneautoriteit bij de indeling redelijkerwijs niet kon ontdekken.

4.2.1. Het middel stelt tevens aan de orde de vraag welk oordeel een nationale douaneautoriteit dient te volgen wanneer de Commissie klaarblijkelijke nalatigheid van een belanghebbende aanwezig acht, terwijl de nationale rechter in een geschil over de betrokken boeking oordeelt dat die belanghebbende redelijkerwijs niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de aanvankelijke beslissing van de douaneautoriteiten inzake de indeling van de aangegeven goederen.

Hieromtrent overweegt de Hoge Raad het volgende, daarbij veronderstellenderwijs uitgaande van de juistheid van de beslissing van het Hof omtrent de van toepassing zijnde tariefpost.

4.2.2. De mogelijkheid van tegenstrijdige beoordelingen door de nationale rechter en de Commissie kan zich voordoen bij het samenlopen van een procedure betreffende een navordering ex artikel 220 van het CDW en een procedure met betrekking tot een verzoek om kwijtschelding van douanerechten ex artikel 239 van het CDW. Ook los van een dergelijke samenloop is echter niet geheel duidelijk hoe met betrekking tot de toepassing van de criteria die in het kader van artikel 220, lid 2, van het CDW moeten worden gehanteerd, de bevoegdheid van de nationale rechter zich verhoudt tot die van de Commissie.

4.2.3. Ingevolge artikel 871 van de Uitvoeringsverordening van het CDW (tekst tot 1 augustus 2003; hierna: de Uitvoeringsverordening) in samenhang met artikel 869, aanhef en letter b, van de Uitvoeringsverordening, dienen de douaneautoriteiten een geval aan de Commissie voor te leggen ter behandeling overeenkomstig de in de artikelen 872 tot en met 876 bedoelde procedure wanneer zij van oordeel zijn dat aan de voorwaarden van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW is voldaan of twijfels hebben omtrent de toepasbaarheid van de criteria van deze bepaling op het betreffende geval, en het ten gevolge van een zelfde vergissing van de betreffende belanghebbende niet-geïnde bedrag dat in voorkomend geval uit verscheidene invoer- of uitvoerverrichtingen voortvloeit, gelijk is aan of hoger is dan 50.000 EUR (zoals in deze zaak het geval is).

Ingeval de zaak aan de Commissie is voorgelegd, wordt de in de Uitvoeringsverordening vastgestelde procedure afgesloten met een beschikking waarbij de Commissie vaststelt of de onderzochte situatie van dien aard is dat niet behoeft te worden overgegaan tot boeking achteraf van de betrokken rechten, dan wel kwijtschelding van deze rechten kan worden verleend.

In zijn arrest van 22 juni 2006, Conseil général de la Vienne, C-419/04, Jurispr. blz. I-05645 heeft het Hof van Justitie overwogen dat het toekennen aan de Commissie van enige beslissingsbevoegdheid op het gebied van navordering van douanerechten tot doel heeft een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Deze uniforme toepassing zou, aldus het Hof van Justitie, in gevaar komen in de gevallen waarin een verzoek om van navordering af te zien, wordt ingewilligd, want omdat daartegen waarschijnlijk geen beroep in rechte zal worden ingesteld, dreigt de beoordeling waarop een lidstaat een gunstige beslissing kan baseren zich in de praktijk te onttrekken aan een controle waarmee de uniforme toepassing van de door de gemeenschapswetgeving gestelde voorwaarden kan worden verzekerd (punt 42).

4.2.4. Het hiervoor in 4.2.3 vermelde heeft in het bijzonder betrekking op het geval dat de douaneautoriteiten zich op het standpunt stellen dat aan de criteria voor het afzien van navordering wordt voldaan. Indien de douaneautoriteiten daarentegen zich op het tegenovergestelde standpunt stellen en tot navordering overgaan, is volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie geen rol voorzien voor de Commissie doch staat het, indien de belanghebbende tegen de beslissing van de douaneautoriteit beroep instelt, aan de nationale rechter om te beoordelen of aan de voorwaarden voor het mogen afzien van navordering op grond van artikel 220, lid 2, van het CDW is voldaan (zie met name HvJ EG 26 juni 1990, Deutsche Fernsprecher, Jurispr. 1990, blz. I-2535, punt 24). Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in het hiervoor aangehaalde arrest Conseil général de la Vienne, komt de uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht dan niet in gevaar omdat deze kan worden gewaarborgd in het kader van de prejudiciële procedure.

4.2.5. De vraag rijst of ook hier onderscheid zou moeten worden gemaakt, en wel tussen het geval waarin de nationale rechter oordeelt dat de douaneautoriteit terecht tot navordering is overgegaan, en het geval waarin de nationale rechter oordeelt dat aan de criteria van artikel 220, lid 2, van het CDW voor het afzien van navordering is voldaan. Meer in het bijzonder rijst de vraag of de verplichting ex artikel 871 van de Uitvoeringsverordening tot het voorleggen van de zaak aan de Commissie ook in het laatste geval geldt. Weliswaar kan het belang van de uniforme toepassing van het Gemeenschapsrecht tot zijn recht komen indien de nationale rechter in geval van twijfel over het al dan niet voldaan zijn aan de criteria van artikel 220, lid 2, letter b, zich wendt tot het Hof van Justitie met het verzoek over die vraag een prejudiciële beslissing te geven. Deze oplossing is echter niet geheel sluitend indien de uitspraak van de nationale rechter vatbaar is voor hoger beroep of beroep in cassatie - met de uitspraak die het Hof in de voorliggende zaak deed, was dat het geval - , daar uit artikel 234 EG volgt dat in dat geval de betrokken rechter niet verplicht is om aan het Hof van Justitie een prejudiciële beslissing te verzoeken, terwijl de douaneautoriteit om haar moverende redenen zou kunnen besluiten af te zien van het instellen van hoger beroep of beroep in cassatie. Hierin zou een argument kunnen worden gevonden voor de opvatting dat, indien de rechter wiens uitspraak vatbaar is voor hoger beroep of beroep in cassatie, zonder dat deze daaromtrent een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie heeft verkregen, tot de bevinding komt dat de bestreden navordering niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW, deze rechter zijn uitspraak niet kan doen strekken tot het definitief verhinderen van de navordering met voorbijgaan aan de Commissie, doch hoogstens tot het vernietigen van het in het navorderingsbesluit besloten liggende besluit van de douaneautoriteit om de zaak niet voor te leggen aan de Commissie.

4.2.6. Indien deze opvatting niet wordt aanvaard, rijst de vraag welke andere voorziening het gemeenschapsrecht inhoudt in geval van een samenloop als hiervoor in 4.2.2 bedoeld, indien de Commissie een tot een lidstaat gerichte beschikking heeft gegeven waarbij wordt vastgesteld dat in een bepaald geval kwijtschelding van douanerechten overeenkomstig artikel 239 van het CDW niet gerechtvaardigd is, terwijl deze beschikking is gebaseerd op een beoordeling die wat betreft de gegevens, feitelijk of rechtens, welke bepalend zijn voor (ook) de rechtsgrondslag voor een navordering, afwijkt van de door de nationale rechter in datzelfde geval verrichte beoordeling op grond waarvan deze aan de douaneautoriteit de bevoegdheid tot navordering ontzegt. In de arresten van het Hof van Justitie van 24 september 1998, Sportgoods A/S, C-413/96, Jurispr. blz. I-5285, en van 19 oktober 2000, Hans Sommer GmbH KG, C-15/99, Jurispr. blz. I-08989, is deze vraag niet beantwoord, nu in de gevallen waarop die arresten betrekking hebben, door het Hof van Justitie geen tegenstrijdigheid aanwezig werd bevonden tussen de beoordeling door de Commissie in de kwijtscheldingsprocedure en de beoordeling van de rechtsgrondslag voor de navordering.

4.2.7. Nu zich met betrekking tot de bevoegdheid van de nationale rechter in deze een vraag van uitlegging van communautair recht voordoet, zal de Hoge Raad het Hof van Justitie verzoeken ook over die vraag uitspraak te doen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op de voet van artikel 234 EG uitspraak te doen over de volgende vragen:

1. Vallen vellen als omschreven in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1196/97 van de Commissie van 27 juni 1997, Pb EG nr. L 170, onder post 1905 van de gecombineerde nomenclatuur indien het betreft vellen, vervaardigd van rijstmeel, zout en water, die gedroogd zijn doch geen warmtebehandeling hebben ondergaan?

2. Is, gelet op het antwoord op de vorige vraag, de zo-even genoemde Verordening geldig?

3. Moet artikel 871 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB EG nr. L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1677/98 van de Commissie van 29 juli 1998 (PB EG nr. L 212, blz. 18), aldus worden uitgelegd dat, indien ingevolge artikel 871, lid 1, voornoemd, op de douaneautoriteit de verplichting zou rusten om een geval voor te leggen aan de Commissie, alvorens te kunnen besluiten tot het afzien van een boeking achteraf in dat geval, de nationale rechter die oordeelt over een beroep van de belastingschuldige tegen het besluit van de douaneautoriteit om (wel) over te gaan tot boeking achteraf, niet de macht heeft de boeking achteraf te vernietigen op grond van zijn bevinding dat is voldaan aan de in artikel 220, lid 2, onder b, bedoelde voorwaarden voor het achterwege (moeten) laten van de boeking achteraf, welke bevinding niet wordt ondersteund door de Commissie?

4. Indien het antwoord op vraag 3 luidt dat de omstandigheid dat aan de Commissie enige beslissingsbevoegdheid is toegekend op het gebied van de navordering van douanerechten, geen beperking meebrengt van de bevoegdheid van de nationale rechter die heeft te oordelen over een beroep inzake navordering van douanerechten, houdt dan het gemeenschapsrecht een andere voorziening in die een uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht waarborgt bij het in een concreet geval uiteenlopen van beoordelingen door de Commissie en door de nationale rechter naar de criteria die in het kader van artikel 220 van het CDW worden gehanteerd om uit te maken of een vergissing van de douaneautoriteit door een belastingschuldige kan worden ontdekt?

De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van vorenstaand verzoek uitspraak heeft gedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.