Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AX0794

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
41965
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AX0794
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering uit Amsterdams verrekenbeding voor de vermogensbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 650
EB 2007/51.1
FJR 2007, 105
BNB 2007/126 met annotatie van I.J.F.A. van Vijfeijken
Belastingadvies 2007/4.6
V-N 2007/8.19 met annotatie van Redactie
Vp-bulletin 2007, 12
FutD 2007-0163
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.965

26 januari 2007

RS

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 2005, nr. P03/03411, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vermogensbelasting.

1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van ƒ 12.000.000, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een vermogen van ƒ 10.000.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 23 maart 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. De middelen 1 en 2 komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen 's Hofs oordeel dat belanghebbende op 1 januari 1999 een verrekeningsvordering heeft op haar echtgenoot (hierna: de man). De middelen strekken ten betoge dat het vorderingsrecht van belanghebbende op de man, voortvloeiende uit het verrekenbeding, pas is ontstaan na de inschrijving (op 27 juli 2001) van de tussen hen uitgesproken echtscheidingsbeschikking. Nu belanghebbende en de man op 1 januari 1999 nog gehuwd waren, was het vervalbeding nog van toepassing en had belanghebbende op laatstgenoemde datum derhalve geen vorderingsrecht met betrekking tot eerdere jaren, aldus nog steeds die middelen.

3.2.1. Het Hof heeft op grond van zijn uitlegging van het verrekenbeding geoordeeld dat het vorderingsrecht van belanghebbende op de man tijdens het huwelijk van jaar tot jaar is ontstaan (voorzover de onverteerd gelaten inkomsten van de man die van belanghebbende telkenjare overtroffen), en derhalve niet pas na de ontbinding van het huwelijk. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst; het is ook niet onbegrijpelijk.

3.2.2. Aldus moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat het vorderingsrecht van belanghebbende op de man van jaar tot jaar is ontstaan. Of belanghebbende dat vorderingsrecht in enig later jaar (staande huwelijk) geldend zou kunnen maken voorzover het was ontstaan in jaren terzake waarvan verrekening binnen de overeengekomen vervaltermijn achterwege was gebleven, bleef voorshands onzeker, want afhankelijk van de vraag of de man zich op het vervalbeding zou beroepen wanneer belanghebbende alsnog verrekening over die jaren zou verlangen, en zo ja, afhankelijk van de vraag of dat beroep op het vervalbeding in het licht van de dan gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Voor de vermogensbelasting, waarvoor belanghebbende belastingplichtig werd met ingang van het tijdstip waarop zij en de man duurzaam gescheiden zijn gaan leven, dient dit vorderingsrecht in aanmerking te worden genomen voor de geschatte waarde, die bepaald moet worden met inachtneming van vorenbedoelde onzekerheden.

3.2.3. Op het vorenstaande stuiten de middelen 1 en 2 af.

3.3. Middel 3 kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2007.