Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AX0678

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
09-02-2007
Zaaknummer
40643
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AX0678
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Forensenbelasting. Progressief tarief verbindend?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 788
Belastingblad 2007/275
BNB 2007/165 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
V-N 2007/11.26 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0250
NTFR 2007/403 met annotatie van Mr. M.P. van der Burg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.643

9 februari 2007

HdJ

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 maart 2004, nr. 03/00246, betreffende na te melden aanslag in de forensenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 1 te Q een aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Apeldoorn opgelegd ten bedrage van € 950, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling Financiën en Belastingen van de gemeente Apeldoorn is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 maart 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende was in het jaar 2002 belastingplichtig voor de forensenbelasting van de gemeente Apeldoorn.

3.1.2. Van belanghebbende is in het onderhavige jaar op grond van de verordening forensenbelasting 2002 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de Verordening) forensenbelasting geheven naar het tarief van artikel 5 van de Verordening, welk artikel als volgt luidt:

"Belastingtarief

De belasting bedraagt bij een waarde van:

- minder dan € 45.000,-€ 65,--

- € 45.000,- of meer, doch minder dan € 90.000, -€ 380,--

- € 90.000,- of meer, doch minder dan € 135.000, -€ 950,--

- € 135.000,-- of meer, doch minder dan € 225.000, -€ 1.690,--

- € 225.000,-- of meer € 3.480,--".

3.2. Voor het Hof was, voorzover in cassatie van belang, in geschil of de tariefbepaling in de Verordening verbindend is.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de Verordening niet in strijd is met de bepalingen van de Gemeentewet of met de door belanghebbende genoemde verdragsbepalingen. De zeven door belanghebbende voorgestelde middelen zijn tegen dit oordeel gericht.

3.4. Middel 2 faalt omdat artikel 223 van de Gemeentewet niet een voorschrift bevat als voor de onroerendezaakbelastingen is neergelegd in artikel 220f, lid 1, van die wet en er geen grond bestaat om dat voorschrift niettemin toe te passen op de forensenbelasting.

3.5. Middel 3 faalt omdat artikel 223 van de Gemeentewet niet voorschrijft dat verband moet bestaan tussen enerzijds (de mate van) het profijt dat de belastingplichtige van gemeentelijke voorzieningen trekt, en anderzijds het beloop van de door hem verschuldigde forensenbelasting.

3.6. Middel 4 faalt omdat uit de ontstaansgeschiedenis van de Verordening niet kan worden afgeleid dat bij de gemeenteraad draagkrachtmotieven als bedoeld in artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet hebben voorgezeten toen de tariefbepaling van de Verordening werd vastgesteld. Daaraan doet de in de toelichting op het middel geciteerde uitlating van een individueel gemeenteraadslid niet af.

3.7. De middelen 5 en 7 falen omdat noch de mate waarin het onderhavige tarief progressief is, noch de omstandigheid dat de tariefopbouw van de onderhavige belasting blijkens de desbetreffende gemeenteraadsstukken rechtstreeks samenhing met het voornemen om de toeristenbelasting te laten vervallen, noopt tot het oordeel dat hier een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, dan wel tot het oordeel dat de gemeenteraad bij de vaststelling van dat tarief getreden is buiten de grenzen van de vrijheid die de artikelen 219, lid 2, en 223 van de Gemeentewet hem bieden.

3.8. Ook voor het overige falen de middelen. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.