Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AW3876

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
09-02-2007
Zaaknummer
41264
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AW3876
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2004:AR0669, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet WOZ. Invloed van omzetbelasting op gecorrigeerde vervangingswaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 789
Belastingblad 2007/367
FED 2007/33 met annotatie van G. GROENEWEGEN
BNB 2007/155 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
V-N 2007/14.31 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0242 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2007/400 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.264

9 februari 2007

HdJ

gewezen op het beroep in cassatie van de Staat der Nederlanden (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 augustus 2004, nr. BK-02/03818, betreffende na te melden beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak b-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 306.750.000.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de directeur der Gemeentebelastingen van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: de Directeur) bij uitspraak de waarde nader vastgesteld op ƒ 256.800.000.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 9 maart 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak b-straat 1 te Z (hierna: de onroerende zaak).

(ii) Op de geldende waardepeildatum 1 januari 1995 was de onroerende zaak reeds meer dan twee jaar in gebruik.

(iii) Belanghebbende is niet ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB).

(iv) Bij de telkens vermelde uitgangspunten is de waarde van de onroerende zaak op de geldende waardepeildatum:

(a) waarde volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ (inclusief OB): ƒ 256.800.000;

(b) waarde volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ (exclusief OB): ƒ 219.750.000;

(c) waarde volgens artikel 17, lid 3, Wet WOZ (inclusief OB): ƒ 256.800.000;

(d) waarde volgens artikel 17, lid 3, Wet WOZ (exclusief OB): ƒ 219.750.000.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de waarde van de onroerende zaak ingevolge artikel 17 Wet WOZ dient te worden gesteld op ƒ 256.800.000 (standpunt van de Directeur) dan wel op ƒ 219.750.000 (standpunt van belanghebbende). Het Hof heeft de Directeur in het gelijk gesteld.

3.3. Onderdeel 5 van het beroepschrift in cassatie betoogt dat de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak moet worden bepaald zonder rekening te houden met de omzetbelasting die op belanghebbende - als niet-ondernemer - zou drukken indien hij zou overgaan tot vervanging. De tegenovergestelde opvatting zou namelijk leiden tot gevolgen die strijdig zijn met het stelsel van de Wet WOZ, te weten tot de gevolgen (1) dat ongelijkheid ontstaat in zoverre verschil zou bestaan in de gecorrigeerde vervangingswaarde van eenzelfde onroerende zaak, naar gelang de eigenaar daarvan al dan niet ondernemer is in de zin van de Wet OB; (2) dat rekening wordt gehouden met een persoonlijke omstandigheid van de eigenaar, te weten de aan- of afwezigheid van ondernemerschap in de zin van de Wet OB; en (3) dat verschil kan ontstaan tussen enerzijds de waarde in het economische verkeer (artikel 17, lid 2, Wet WOZ), anderzijds de gecorrigeerde vervangingswaarde (artikel 17, lid 3, Wet WOZ), ofschoon de onroerende zaak courant is en ook voor commerciële marktpartijen bruikbaar.

3.4. Dit betoog faalt, aangezien de geschetste gevolgen noodzakelijkerwijs voortvloeien uit artikel 17, lid 3, Wet WOZ. Dit artikellid bepaalt dat de waarde van een in dat artikellid nader omschreven onroerende zaak moet worden gesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde in alle gevallen waarin deze hoger is dan de waarde in het economische verkeer. Dit geldt dus ongeacht of die zaak courant dan wel incourant is, en ongeacht of die zaak al dan niet bruikbaar is voor commerciële doeleinden, zoals mede volgt uit de wetsgeschiedenis, weergegeven in de onderdelen 2.2-2.8 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal. Voorts komt bij de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde mede betekenis toe aan bepaalde omstandigheden die de (toevallige) eigenaar betreffen. Daaronder valt ook de omstandigheid dat op de eigenaar al dan niet de omzetbelasting drukt die hem in rekening wordt gebracht over de vervangingskosten. In zoverre heeft de wetgever in artikel 17, lid 3, Wet WOZ welbewust een subjectief element opgenomen, hetgeen tot gevolg heeft dat voor de aldaar bedoelde onroerende zaken de waarde heeft te gelden welke die zaken in economische zin voor de eigenaar zelf hebben (vgl. HR 8 juli 1992, nr. 27678, BNB 1992/298).

3.5. Voorts wordt in onderdeel 3.2 van het beroepschrift in cassatie geklaagd dat het Hof in het midden heeft gelaten welke waarderingsmethode het heeft toegepast. Die klacht is terecht voorgesteld. De klacht kan evenwel niet tot cassatie leiden. Ter bepaling van de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak die meer dan twee jaren in gebruik is, moet worden uitgegaan van de prijs die daarvoor zal worden besteed indien die onroerende zaak zonder heffing van omzetbelasting zal worden geleverd (vgl. HR 30 oktober 1991, nr. 26544, BNB 1992/3). In het licht daarvan brengen de hiervoor in 3.1 vermelde uitgangspunten mee dat de in artikel 17, lid 2, Wet WOZ bedoelde waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak moet worden gesteld op ƒ 219.750.000. Voorts brengen die uitgangspunten in het licht van het hiervoor in 3.4 overwogene mee dat de in artikel 17, lid 3, Wet WOZ bedoelde gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak moet worden gesteld op ƒ 256.800.000. Omdat de gecorrigeerde vervangingswaarde van de onroerende zaak derhalve hoger is dan de waarde in het economische verkeer, moet de waarde van de onroerende zaak gelet op artikel 17, lid 3, Wet WOZ worden gesteld op de gecorrigeerde vervangingswaarde van de zaak, derhalve op ƒ 256.800.000.

3.6. 's Hofs beslissing is derhalve juist, wat er zij van de gronden die het daartoe heeft gebezigd. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.