Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AW2214

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
41917
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AW2214
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2005:AT2492, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verhuur van volledig ingerichte appartementen voor tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers; vrijstelling van omzetbelasting; artikel 13, B, letter b, punt 1, van de Zesde richtlijn en artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, punt 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/153 met annotatie van D.B. Bijl
FED 2007/17
Belastingadvies 2007/4.11
V-N 2007/8.22 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0155 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.917

26 januari 2007

EC

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 februari 2005, nr. 02/03413, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 277.496. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd alsmede de naheffingsaanslag. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 14 maart 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft in november 2000 een in haar opdracht gebouwde onroerende zaak in gebruik genomen. In het gebouw zijn onder meer zes appartementen opgenomen, elk bestaande uit een woonkamer, een of twee slaapkamers, een badkamer met toilet en een keuken. De kamers zijn gestoffeerd en gemeubileerd, de keuken is volledig ingericht. De appartementen worden in deze staat verhuurd aan bedrijven, die ze gebruiken voor het tijdelijk huisvesten van werknemers afkomstig uit het buitenland. Deze werknemers verblijven tijdelijk in Nederland en behouden hun normale verblijfplaats elders.

3.1.2. Er is in het gebouw geen receptie of gemeenschappelijke verblijfsruimte ten behoeve van de gebruikers van de appartementen. Belanghebbende draagt geen zorg voor het (dagelijks) schoonhouden van de woningen. Na afloop van een huurperiode doet belanghebbende een zogeheten eindschoonmaak uitvoeren. Belanghebbende draagt zorg voor het aanwezig zijn en het functioneren van de nodige nutsvoorzieningen en telefoon in het appartement, alsmede voor het dagelijkse klein onderhoud.

3.1.3. De huurprijs omvat de kale huursom, een vergoeding voor de kosten van meubilering alsmede voor servicekosten welke betrekking hebben op de lift en het schoonmaken en verlichten van het trappenhuis. De kosten van nutsvoorziening, telefoon en eindschoonmaak worden separaat aan de gebruiker in rekening gebracht. Het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting komt voor rekening van belanghebbende.

3.2. Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 12 februari 1998, C-346/95, E. Blasi, Jurispr. blz. I-00481, geoordeeld dat een bedrijf dat zich, zoals belanghebbende, bezighoudt met het verhuren van appartementen voor betrekkelijk korte tijd - in dit geval gemiddeld circa vijf maanden - ten behoeve van het huisvesten van tijdelijk uitgezonden werknemers, in het algemeen een soortgelijke functie heeft als een hotelbedrijf. De omstandigheid dat de verhuur van de appartementen niet gepaard gaat met enige dienstverlening door of in opdracht en voor rekening van de verhuurder, doet naar het oordeel van het Hof onvoldoende daaraan af. Aannemelijk is dat belanghebbende met de verhuur van de onderhavige appartementen op de markt van het verschaffen van huisvesting aan tijdelijk uitgezonden werknemers in concurrentie treedt met hotels en pensions. Dit alles heeft het Hof gebracht tot de slotsom dat op grond van artikel 11, lid 1, letter b, punt 2, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) de verhuur is belast met omzetbelasting.

3.3. Het middel strekt ten betoge dat het Hof voor zijn oordeel dat het bedrijf van belanghebbende een soortgelijke functie als een hotelbedrijf heeft, enkel heeft achtgeslagen op de (korte) duur van de huurovereenkomst en ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat als een essentiële functie van een hotelbedrijf heeft te gelden dat bijkomende diensten aan de gebruikers van de accommodatie worden aangeboden, zoals het schoonmaken van de kamers, het regelen van bed- en badlinnen, en het bieden van een ontbijtgelegenheid.

3.4. Ingevolge artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, punt 2, van de Wet is de verhuur van onroerende zaken vrijgesteld, met uitzondering van de verhuur van onroerende zaken binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen, die daar slechts voor een korte periode verblijf houden. Deze bepaling is gebaseerd op artikel 13, B, aanhef en letter b, punt 1, van de Zesde richtlijn, waarin is opgenomen dat de lidstaten, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, vrijstelling verlenen voor de verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving der lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen. Met betrekking tot de reikwijdte van de in vorenstaande zin genoemde uitzonderingssituatie heeft het Hof van Justitie in het hiervoor onder 3.2 aangehaalde arrest Blasi overwogen dat de uitdrukking "sectoren met een soortgelijke functie" ruim moet worden uitgelegd, aangezien zij beoogt te verzekeren dat het tijdelijk verstrekken van accommodatie op overeenkomstige wijze als in het hotelbedrijf, dat potentieel met dit laatste concurreert, aan belasting wordt onderworpen.

3.5. Voorzover in het middel wordt betoogd dat in het begrip "het verstrekken van accommodatie" als vermeld in artikel 13, B, letter b, punt 1, van de Zesde richtlijn reeds ligt besloten dat die verstrekking gepaard gaat met het verrichten van diensten zoals schoonmaken, regelen bad- en bedlinnen en ontbijtservice, faalt het omdat deze diensten in ieder geval niet eigen zijn aan het in voormelde bepaling tevens als het verstrekken van accommodatie aangemerkte verschaffen van verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerter-reinen. Veeleer dient, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, het gemeenschappelijke kenmerk van de in de richtlijnbepaling bedoelde accommodaties hierin te worden gevonden dat het gaat om verblijfsruimten die zijn toegerust voor daarin kort verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris. Indien zulke verblijfsruimten ter beschikking worden gesteld anders dan in het kader van het hotelbedrijf, wordt, omdat voorzien wordt in een behoefte aan accommodatie waarop ook hotelbedrijven zich richten, met laatstbedoelde bedrijven in concurrentie getreden, hetgeen blijkens het aangehaalde arrest Blasi bij uitstek het gezichtspunt is voor het vaststellen van de vergelijkbaarheid van een accommodatieverstrekking met die welke plaatsvindt in het hotelbedrijf.

3.6. Gelet op het hiervoor in 3.5 overwogene geeft 's Hofs oordeel dat de in geding zijnde accommodatie-verstrekking geschiedt in het kader van een bedrijf dat op het punt dat ingevolge de richtlijn van belang is, vergelijkbaar is met een hotelbedrijf, geen blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in de Zesde richtlijn. Anders dan in het middel wordt gesteld, heeft het Hof die vergelijkbaarheid niet enkel vastgesteld op grond van de tijdsduur van de accommodatieverstrekking.

3.7. Het middel faalt ook voor het overige. Nu het bepaalde in artikel 11, lid 1, aanhef en letter b, punt 2, van de Wet moet worden uitgelegd in overeenstemming met voormelde richtlijnbepaling - het middel stelt dit terecht niet ter discussie - faalt het middel eveneens waar het erover klaagt dat het Hof zich heeft laten leiden door een onjuiste opvatting met betrekking tot de reikwijdte van eerstbedoelde, nationale bepaling.

4. Proceskosten

De Minister van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Minister van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2007.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 422.