Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AV0830

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
39530
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AV0830
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2002:AF6410, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Ontbreken teruggaafregeling in Wet BPM 1992 niet onverenigbaar met 90 en 29 EG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 551
BNB 2007/135 met annotatie van G.Th.K. Meussen
V-N 2007/5.18 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 39.530

5 januari 2007

RW

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 2 december 2002, nr. P02/01555, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM).

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2001 tot en met 30 april 2001 een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd ten bedrage van ƒ 89.741, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Hoge Raad heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 maart 2005, Feron, C-170/03, Jurispr. 2005, blz. I-2299. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 22 december 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende drijft een onderneming die zich bezighoudt met de handel in kampeerauto's. Haar is op de voet van artikel 8 van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) toegestaan de belasting per tijdvak van een maand te voldoen.

3.1.2. Gedurende de maand april 2001 heeft belanghebbende vijf kampeerauto's doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. Deze auto's zijn aan te merken als personenauto's in de zin van artikel 3 van de Wet. Tot deze kampeerauto's behoorde een, blijkens het kentekenbewijs op 20 april 2001 geregistreerde, nieuwe Fiat Ducato (hierna: de auto). De auto is na registratie verhuurd geweest, in verband waarmee met de auto gebruik is gemaakt van de weg in Nederland. Belanghebbende heeft de auto vervolgens verkocht en geleverd aan een Duitse afnemer. In verband met deze verkoop heeft belanghebbende op 26 april 2001 bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer een zogeheten uitvoerverklaring ingediend. De auto is op of omstreeks die datum naar Duitsland overgebracht.

3.1.3. Op 23 mei 2001 heeft belanghebbende over het tijdvak april 2001 aangifte BPM gedaan van een te betalen bedrag aan BPM van ƒ 839. Dit bedrag heeft betrekking op de auto en bedraagt 4 percent van de op de voet van artikel 9 van de Wet verschuldigde belasting.

In de onderhavige naheffingsaanslag heeft de Inspecteur ter zake van de auto een bedrag van ƒ 20.134 begrepen.

3.2.1. Middel V betreft het oordeel van het Hof dat de opbrengst van de heffing van BPM rechtstreeks naar de staatskas vloeit en niet reeds bij voorbaat bestemd is voor de financiering van wegen of andere activiteiten die alleen de nationale weggebruiker ten goede komen. Voorzover het middel bestrijdt dat dit oordeel 's Hofs conclusie wettigt dat de heffing van BPM niet in strijd is met artikel 90 EG, kan het niet tot cassatie leiden, omdat die conclusie, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, geen blijk geeft van een onjuiste opvatting met betrekking tot voormeld artikel. Immers, uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 8 juni 2006, Koornstra, C-517/04, volgt dat een dergelijke heffing slechts in strijd zou zijn met het discriminatieverbod van artikel 90 EG indien de opbrengst van die heffing strekt ter financiering van activiteiten die enkel ten goede komen aan de voor de binnenlandse markt bestemde binnenlandse producten, en indien de voordelen die uit de bestemming van de opbrengst van die heffing voortvloeien, de op die producten drukkende last volledig compenseren. 's Hofs hiervoor weergegeven oordeel houdt in dat dit geval zich hier niet voordoet. Het middel faalt ook voor het overige, nu 's Hofs oordeel dat de opbrengst van de heffing van BPM niet bij voorbaat een bepaalde bestemming heeft, als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst en niet onbegrijpelijk is.

3.2.2. Middel I komt op tegen het oordeel van het Hof dat, nu de omstreden heffingsregeling valt onder het bereik van artikel 90 EG, er geen plaats is voor een toetsing van het ontbreken van een teruggaafregeling aan artikel 29 EG. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat artikel 90 EG niet eraan in de weg staat dat belemmeringen als de onderhavige, bestaande in het niet kunnen terugkrijgen van BPM, waardoor met name de verhandeling van gebruikte auto's naar andere landen wordt getroffen, getoetst kunnen worden aan artikel 29 EG, leidt dit, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, niet tot het oordeel dat belanghebbende zich met vrucht op dat artikel kan beroepen. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat artikel 29 EG betrekking heeft op nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaande goederenverkeer ten doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat leiden, waardoor aan de nationale productie of de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat een bijzonder voordeel wordt verzekerd (zie de arresten van het Hof van Justitie van 22 juni 1999, ED Srl v. Italo Fenocchio, C-412/97, Jurispr. blz. I-3845 en 8 november 2005, Jersey Produce Marketing Organisation Ltd, C-293/02, Jurispr. blz. I-0943). Van een ongelijke behandeling in voormelde zin is in het onderhavige geval geen sprake, aangezien voor alle auto's die in Nederland worden geregistreerd en waarmee op enig tijdstip in Nederland gebruik van de weg wordt gemaakt, BPM wordt geheven en voor zulke auto's in geen geval teruggaaf van BPM wordt verleend. Hierbij verdient opmerking dat de BPM een eenmalige belasting is die geen verband houdt met de tijdsduur of de intensiteit van het gebruik van de auto in Nederland. De in het middel gehuldigde opvatting dat een door artikel 29 EG verboden ongelijkheid wordt geschapen door het ontbreken van een teruggaafregeling, kan derhalve niet worden gevolgd. Het middel faalt mitsdien.

3.2.3. Middel III, dat eveneens berust op een vergelijking van binnenlands verhandelde gebruikte auto's enerzijds en geëxporteerde gebruikte auto's anderzijds, moet het lot van middel I delen, evenals middel IV, nu daaraan ten grondslag ligt de hierboven onjuist bevonden gedachte dat de BPM een belastingmaatregel is die beoogt het gebruik in Nederland te belasten naar de mate waarin dit gebruik plaatsvindt.

3.2.4. Middel II kan evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2007.