Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AU8199

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
41674
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AU8199
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8579, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

- artikelen 29, 32 en 33, CDW

- douanewaarde

- inkoopcommissie

- verzoek om terugbetaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/261 met annotatie van G.J. van Slooten
FutD 2007-0919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.674

11 mei 2007

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X1 B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 december 2004, nr. 01/90168 DK, betreffende na te melden beschikking op een verzoek om terugbetaling van douanerechten.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Bij beschikking van de Inspecteur is afgewezen een verzoek van belanghebbende tot terugbetaling van douanerechten ten bedrage van ƒ 335,10, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Tariefcommissie.

Het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof), dat met ingang van 1 januari 2002 in de plaats is getreden van de Tariefcommissie, heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal W. de Wit heeft op 3 november 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Op 15 april 1998 heeft belanghebbende in opdracht van Overland Footwear Ltd. (hierna: Overland), een in U (Verenigd Koninkrijk) gevestigde groothandelaar in schoeisel, te P 3000 paar herenschoenen voor het vrije verkeer aangegeven. Op de aangifte is als douanewaarde vermeld een bedrag van ƒ 105.617. Bij de aangifte werd een aan Overland gerichte factuur overgelegd, afkomstig van H Inc. te Hong Kong (hierna: de leverancier) ter zake van de levering van de 3000 paar schoenen aan Overland. De totale factuurprijs bedraagt US $ 50.958. Belanghebbende is uitgenodigd om met betrekking tot de vermelde aangifte een bedrag van ƒ 8449,40 aan douanerechten te betalen.

3.1.2. Op 10 december 1998 heeft de Inspecteur van belanghebbende een verzoek ontvangen om van deze douanerechten een bedrag van ƒ 335,10 terug te betalen. Dit op de grond dat volgens belanghebbende in het gefactureerde en als basis voor de berekening van de douanewaarde vastgestelde bedrag een 'buying commission' was begrepen ter grootte van vier percent van dat bedrag. Deze buying commission was, aldus belanghebbende, via de leverancier ten goede gekomen aan D Inc., ook wel aangeduid als D (hierna: de derde). De werkelijke factuurwaarde zou moeten zijn US $ 50.958 minus US $ 2038,20 (vier percent buying commission), dat is US $ 49.919,68.

3.1.3. De Inspecteur heeft het verzoek bij de onderwerpelijke beschikking afgewezen, aangezien op de aangifte geen bedrag aan commissie is onderscheiden, artikel 65 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) wijziging van de aangifte na vrijmaking van de goederen niet toelaat en ook op de factuur geen bedrag aan commissie is vermeld.

3.2.1. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of bij de vaststelling van de douanewaarde ten onrechte geen rekening is gehouden met een vermindering van vier percent ter zake van een betaling van een inkoopcommissie, zoals belanghebbende verdedigde en de Inspecteur betwistte.

3.2.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende in wezen stelt dat de goederen van de leverancier zijn gekocht voor een lagere prijs dan op de factuur is vermeld, omdat een deel van de aan de leverancier gedane betaling niet strekte ter voldoening van de bedongen prijs van de goederen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende deze stelling niet aannemelijk gemaakt.

3.2.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat in de vastgestelde douanewaarde geen elementen zijn begrepen, in het bijzonder inkoopcommissies, die op grond van artikel 33, aanhef en letter e, van het CDW geen deel hoeven uit te maken van de douanewaarde.

3.3.1. Het tweede middel verzet zich tegen 's Hofs hiervoor in 3.2.3 vermelde oordeel. Het middel faalt. Anders dan het middel betoogt, geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste opvatting van het bepaalde in artikel 29, lid 3, letter a, artikel 32, lid 4, of artikel 33, letter e, van het CDW. 's Hofs oordeel is voorts voldoende gemotiveerd met de - op de aan het Hof voorbehouden, niet onbegrijpelijke waardering van de bewijsmiddelen berustende - overwegingen dat belang-hebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen Overland en de derde een overeenkomst is gesloten op grond waarvan de derde namens en voor rekening van Overland dan wel op eigen naam maar voor rekening van Overland is opgetreden bij de aankoop van de onderhavige goederen, en dat evenmin aannemelijk is dat de leverancier aan de derde een bedrag zou hebben betaald namens en voor rekening van Overland.

3.3.2. Het eerste middel betoogt dat het Hof met zijn hiervoor in 3.2.2 vermelde oordelen buiten de rechtsstrijd is getreden, aangezien het geschil uitsluitend ging over de vraag of sprake is van een inkoopcommissie in de zin van de artikelen 32 en 33 van het CDW. Gelet op het hiervoor in 3.2.1 en 3.3.1 overwogene kan dit middel, wat daarvan zij, niet tot cassatie leiden en behoeft het mitsdien verder geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2007.