Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2007:AU6911

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
14-09-2007
Zaaknummer
523
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AU6911
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2004:AR7252, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Fooienbesluit 1989.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1660 met annotatie van Schouten
FutD 2007-1733
RSV 2007, 345
BNB 2007/315
Belastingadvies 2007/19.11
V-N 2007/48.14

Uitspraak

Nr. 523

14 september 2007

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 december 2004, nr. 03/3096 CSV, betreffende na te melden besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv).

1. Besluiten, bezwaren en geding voor de Rechtbank

Bij besluiten van 5 januari 2001 heeft het Lisv aan belanghebbende correctienota's ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) opgelegd over de jaren 1997 en 1998.

Het Lisv heeft de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren bij beslissing van 26 februari 2002 ongegrond verklaard.

Tegen de beslissing op het bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.

De Rechtbank heeft bij uitspraak van 17 juni 2003 het beroep ongegrond verklaard.

2. Geding voor de Centrale Raad

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad.

De Centrale Raad heeft de bestreden uitspraak bevestigd. De uitspraak van de Centrale Raad is aan dit arrest gehecht.

3. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en de aanvulling van dat beroepschrift bij een geschrift dat op 31 maart 2005 bij de Hoge Raad is ingekomen, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: de Raad van bestuur) heeft als rechtsopvolger van het Lisv een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Raad van bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. B.N. Kloostra, advocaat te Groningen.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 5 oktober 2005 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en verwijzing van het geding naar de Centrale Raad.

De Raad van bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

4.1.1. Belanghebbende exploiteerde in 1997 en 1998 een eetcafé. Belanghebbende heeft in de jaren 1997 en 1998 aan een aantal van zijn werknemers minder loon uitbetaald dan het ten minste voor hen ingevolge de collectieve arbeidsovereenkomst voor de horeca- en aanverwante bedrijven (hierna: de horeca-cao) geldende minimumloon.

4.1.2. Op 5 januari 2001 is door het Lisv aan belanghebbende over de jaren 1997 en 1998 een correctienota opgelegd waarbij een bedrag aan premie voor de werknemersverzekeringen is nageheven. Daarbij is ten aanzien van de onder 4.1.1 bedoelde werknemers voor de berekening van de verschuldigde premies voor de werknemersverzekeringen met toepassing van artikel 3 van het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989, Stcrt. 1989, 252 (hierna: het Fooienbesluit 1989) een bedrag aan fooien tot het loon gerekend.

4.2.1. De klachten 1, 2 en 7 berusten op het uitgangspunt dat artikel 3 van het Fooienbesluit 1989 niet van toepassing is op belanghebbende gedurende de periode(n) waarin de horeca-cao niet algemeen verbindend was, en belanghebbende evenmin lid was van Horeca Nederland.

Dit uitgangspunt is onjuist, omdat de Hoge Raad zich verenigt met de vaste rechtspraak van de Centrale Raad, waar daarin is geoordeeld dat met artikel 3 van het Fooienbesluit 1989 niets anders is beoogd dan het in het leven roepen van een in de praktijk eenvoudig te hanteren waarderingsregel; en dat de omstandigheid dat daarbij is aangesloten bij de CAO niet betekent dat voor de toepassing van die waarderingsregel is vereist dat de CAO algemeen verbindend verklaard is, dan wel anderszins doorwerkt in de arbeidsovereenkomsten van werknemers in de horeca.

Mitsdien falen deze klachten.

4.2.2. Klacht 3 betoogt dat artikel 3, lid 1, van het Fooienbesluit 1989 slechts ziet op bedienend personeel. In dat betoog ligt besloten dat dat artikellid niet van toepassing zou zijn op bijvoorbeeld keukenpersoneel.

De klacht faalt aangezien de tekst van de bedoelde bepaling algemeen is geformuleerd en de toelichting op die bepaling onvoldoende steun biedt voor een uitleg in de zin als in de klacht wordt voorgestaan.

4.2.3. Klacht 6 betreft de vraag welke consequenties toepassing van het zogenoemde anoniementarief heeft voor de toepassing van artikel 3 van het Fooienbesluit 1989.

In dit verband heeft belanghebbende bij de Centrale Raad aangevoerd, zakelijk weergegeven: dat ten aanzien van een aantal werknemers het anoniementarief is toegepast; dat dientengevolge het berekende brutoloon hoger is vastgesteld dan het voor die werknemers ingevolge de horeca-cao geldende (bruto) minimumloon; dat ten aanzien van die werknemers tevens premie is geheven over fooien die zij ingevolge artikel 3 van het Fooienbesluit 1989 geacht worden te hebben genoten.

Nu de Centrale Raad deze stellingen onbesproken heeft gelaten, dient in cassatie veronderstellenderwijs van de juistheid ervan te worden uitgegaan.

Door na te laten de correctienota's op grond van deze feiten te vernietigen, heeft de Centrale Raad blijk gegeven van een onjuiste opvatting van het begrip "rechtstreeks van de werkgever ontvangen loon" in artikel 3, lid 1, van het Fooienbesluit 1989, aangezien daaronder (in geval van brutering) moet worden verstaan het gebruteerde beloop van het rechtstreeks van de werkgever ontvangen nettoloon (vgl. onderdeel 3.5.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal), en zulks - bij de in cassatie tot uitgangspunt dienende feiten - noodzakelijkerwijs eraan in de weg staat dat ten aanzien van de bedoelde werknemers tevens premie wordt geheven over fooien.

De klacht is derhalve gegrond.

4.2.4. De klachten 4 en 5 hebben betrekking op aangelegenheden van feitelijke aard, ter zake waarvan artikel 18c CSV evenwel geen beroep in cassatie openstelt. Die klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

4.2.5. Wegens gegrondbevinding van klacht 6 kan de uitspraak van de Centrale Raad niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Proceskosten

De Raad van bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door de Centrale Raad zal worden beoordeeld of aan belanghebbende een vergoeding dient te worden toegekend voor de kosten van het geding voor de Centrale Raad en de Rechtbank.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep,

verwijst het geding naar de Centrale Raad van Beroep ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 102, en

veroordeelt de Raad van bestuur in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1932 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L.Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2007.