Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ3875

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-12-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
42929
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 26, lid 1 AWR; art. 6:11Awb. Verschoonbaarheid overschrijding beroepstermijn; verminderingsbeschikking naar aanleiding van uitspraak op bezwaar geen voor beroep vatbaar besluit, maar wel een omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/84 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
V-N 2006/63.10 met annotatie van Redactie
FutD 2006-2246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 42.929

8 december 2006

JBH

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 november 2005, nr. 04/01524, betreffende na te melden aanslag in de premie ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ), de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1. Aanslag, beschikkingen, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de premie ingevolge de WAZ opgelegd ten bedrage van

ƒ 4631, alsmede een verzuimboete van ƒ 750. Aan heffingsrente is ƒ 250 in rekening gebracht. De aanslag, de boetebeschikking en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur van 9 april 2004 vernietigd.

Belanghebbende is op 7 juni 2004 in beroep gekomen bij het Hof tegen "de beslissing van de Inspecteur van 28 april 2004".

Het Hof heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De Inspecteur heeft op 9 april 2004 uitspraak gedaan op belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag WAZ, de daarbij gegeven boetebeschikking (ten bedrage van ƒ 750) en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. Die uitspraak houdt in, voorzover thans van belang: "De aanslag zal worden vernietigd. Binnenkort ontvangt u vanuit het computercentrum te Apeldoorn een beschikking waarin om technische redenen het premie-inkomen WAZ op nihil gesteld is. (...) De boete zal eveneens vervallen."

Op of omstreeks 28 april 2004 ontving belanghebbende een naar aanleiding van de uitspraak genomen verminderingsbeschikking, gedagtekend 28 april 2004, welke inderdaad een verrekening/teruggaaf inhield van het volledige bedrag van de aanslag en van de heffingsrente, maar volgens welke de boete slechts werd verminderd met ƒ 600, zodat nog een boete van ƒ 150 resteerde.

Belanghebbende heeft op 7 juni 2004 beroep ingesteld tegen "de beslissing van de Inspecteur van 28 april 2004".

3.2. Het wettelijk stelsel brengt mede dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. In het onderhavige geval is op 9 april 2004 uitspraak gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende. Daarmede eindigde de bezwaarfase. De beschikking van 28 april 2004 kan derhalve niet worden aangemerkt als een (tweede) uitspraak op het bezwaarschrift van belanghebbende. De beschikking is ook niet op grond van enige andere wettelijke bepaling aan te merken als een uitspraak als bedoeld in artikel 26, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot 1 januari 2005; hierna: de AWR). Aangezien volgens die bepaling slechts beroep bij de belastingrechter mogelijk is tegen uitspraken van de inspecteur - het zogenoemde gesloten stelsel van rechtsbescherming -, is 's Hofs oordeel (onderdeel 4.2) dat de beschikking van 28 april 2004 niet kan worden aangemerkt als een voor beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 26, lid 1, van de AWR, juist. De tegen dat oordeel gerichte klacht faalt derhalve.

3.3. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld (onderdeel 4.3) dat, voorzover belanghebbende heeft bedoeld beroep aan te tekenen tegen de uitspraak van 9 april 2004, het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Daartoe heeft het Hof onder meer redengevend geoordeeld dat geen omstandigheden zijn gesteld of aannemelijk geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

Laatstvermeld oordeel wordt in cassatie terecht bestreden. In de omstandigheden van het geval, zoals hiervoor onder 3.1 vermeld, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest door pas naar aanleiding van - en binnen zes weken na - de ontvangst van de beschikking van 28 april 2004, die hem kennelijk in onzekerheid heeft gebracht omtrent de betekenis van de uitspraak op bezwaar, in beroep te komen.

3.4. Hoewel de desbetreffende klacht gegrond is, kan zij niet tot cassatie leiden. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten immers geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur bij nadere beschikking van 27 april 2005 alsnog ook de opgelegde boete geheel ongedaan heeft gemaakt. Daardoor kon het beroep bij het Hof ook voor wat de boete betreft niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat leiden. Het Hof heeft derhalve, wat er zij van de daarvoor gebezigde gronden, terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard (vgl. HR 8 april 2005, nr. 40149, BNB 2005/186, onderdeel 3.3).

3.5. Wel had het Hof, nu de aanleiding tot het instellen van het beroep was de onjuiste, nadien gecorrigeerde, verminderingsbeschikking van de Inspecteur van 28 april 2004, de Inspecteur met toepassing van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vergoeding moeten gelasten van het betaalde griffierecht. De daarop gerichte klacht slaagt.

3.6. Belanghebbende klaagt echter tevergeefs over 's Hofs oordeel dat geen termen aanwezig zijn voor een

kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt immers niet van aan belanghebbende beroepsmatig verleende rechtsbijstand en evenmin van een verzoek van belanghebbende aan het Hof om vergoeding van andere kosten.

3.7. Belanghebbende klaagt op zichzelf terecht dat in de uitspraak van het Hof ten onrechte is vermeld dat belanghebbende ter zitting is verschenen en aldaar een pleitnota heeft voorgedragen en overgelegd. Gelet op het proces-verbaal van de zitting berust deze vermelding in de uitspraak op een vergissing. Deze vergissing heeft echter niet tot gevolg dat 's Hofs beslissing dat het beroep niet-ontvankelijk is, niet in stand kan blijven.

3.8. De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.9. Gelet op het hiervoor onder 3.5 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven voorzover daarbij geen vergoeding is gelast van het verschuldigd geworden griffierecht. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten in cassatie

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch alleen voorzover daarbij geen vergoeding van griffierecht is gelast, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep voor het Hof verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 37 alsmede het ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 103, derhalve in totaal € 140.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen en C. Schaap, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier R.T. Wiegerink, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2006.