Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ3287

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
00527/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ3287
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Anonieme verdachte n-o in cassatieberoep; ook als hij een valse naam opgeeft. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR NJ 2001, 499. Het hof heeft verdachte aangeduid als “NN, zich noemende X” nadat het in het onderzoek naar de ontvankelijkheid van verdachte in appel had vastgesteld dat de ter terechtzitting verschenen verdachte niet was X. Klaarblijkelijk heeft het hof met de aanduiding aldus tot uitdrukking willen brengen dat verdachte als anonymus moet worden aangemerkt nu hij het rechtsmiddel niet onder zijn eigen naam heeft aangewend. Dit oordeel maakt de HR tot het zijne. Blijkens de akte van cassatie heeft verdachte het beroep ingesteld onder dezelfde valse naam. Een rechtsmiddel kan slechts worden aangewend onder bekendmaking van de persoonsgegevens van verdachte. Het spreekt van zelf dat die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen. Nu verdachte heeft nagelaten die bij het aanwenden van het rechtsmiddel te noemen kan hij in het cassatieberoep niet worden ontvangen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 449
Wetboek van Strafvordering 452
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 786
NJ 2007, 13
RvdW 2007, 20
NJB 2007, 169
NBSTRAF 2007/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 december 2006

Strafkamer

nr. 00527/06

SY/CAW

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 augustus 2005, nummer 23/001615-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Almere Binnen".

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 4 maart 2005, waarbij de verdachte ter zake van "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1. Vooropgesteld moet worden dat uit de art. 449-452 Sv, welke bepalingen de wijze regelen waarop rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, moet worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens (HR 26 februari 2001, NJ 2001, 499).

3.2. Het Hof heeft de verdachte in de bestreden uitspraak aangeduid als "NN, zich noemende [verdachte]" nadat het in het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep had vastgesteld dat de ter terechtzitting verschenen verdachte niet was [verdachte]. Klaarblijkelijk heeft het Hof met de aanduiding aldus tot uitdrukking willen brengen dat de verdachte als anonymus moet worden aangemerkt nu hij het rechtsmiddel niet onder zijn eigen naam heeft aangewend. Dit oordeel maakt de Hoge Raad tot het zijne.

3.3. Blijkens de akte van cassatie heeft de verdachte het beroep ingesteld onder dezelfde valse naam. Gelet op hetgeen is vooropgesteld kan een rechtsmiddel slechts worden aangewend onder bekendmaking van de persoonsgegevens van de verdachte. Het spreekt van zelf dat die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen. Nu de verdachte heeft nagelaten die bij het aanwenden van het rechtsmiddel te noemen kan hij in het cassatieberoep niet worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 12 december 2006.