Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ2176

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
20-12-2006
Zaaknummer
03479/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ2176
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2002, 77. De appeldagvaarding is, bij gebreke van een inschrijving in de GBA, aan de griffier betekend en na vergeefse aanbieding op het door verdachte in de appelakte opgegeven adres, als gewone brief naar dat adres verzonden. ’s Hofs oordeel (afwijzing aanhoudingsverzoek, nu het, naar ’s hofs oordeel, voor risico van verdachte komt indien hij niet tijdig contact opneemt met zijn raadsman en/of deze niet machtigt, respectievelijk indien hij, na het instellen van appel en nadien behoorlijk te zijn gedagvaard, zonder afbericht niet ter terechtzitting verschijnt en/of zich niet bereikbaar houdt voor gerechtelijke mededelingen) is onjuist noch onbegrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat door de raadsman niet duidelijk is aangevoerd dat de aanhouding van de behandeling nodig was met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van verdachte of t.b.v. het alsnog verkrijgen van een machtiging en dat, vzv. zulks in het verzoek geacht zou moeten worden besloten te liggen, de raadsman niet heeft aangevoerd op welke termijn hij hoopte “de verdachte te kunnen vinden”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 807
NJ 2007, 30
RvdW 2007, 52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 december 2006

Strafkamer

nr. 03479/05

DV/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 oktober 2005, nummer 23/001753-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 10 maart 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 51, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.E. van Rossem, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"De raadsman deelt voorts -zakelijk weergegeven- mede:

Ik weet niet of de verdachte van deze zitting op de hoogte is; ik heb hem niet kunnen bereiken en weet niet waar hij verblijft. Ik verzoek om aanhouding van de behandeling omdat ik geen tijd heb gehad om de zaak voor te bereiden en omdat ik de verdachte niet heb kunnen spreken. Ik heb wel hoop de verdachte te kunnen vinden.

Op vordering van de advocaat-generaal verleent het gerechtshof verstek tegen de niet verschenen verdachte.

De voorzitter deelt vervolgens -gehoord de advocaat-generaal en na beraad in raadkamer- als beslissing en motivering van het hof mede dat het verzoek om aanhouding wordt afgewezen, nu het, naar het oordeel van het hof, voor risico van de verdachte komt indien hij niet tijdig contact opneemt met zijn raadsman en/of deze niet machtigt, respectievelijk indien hij, na het instellen van hoger beroep en nadien behoorlijk gedagvaard, zonder afbericht niet ter terechtzitting verschijnt en/of zich niet bereikbaar houdt voor gerechtelijke mededelingen."

3.3. Vooropgesteld dient te worden dat de raadsman die ter terechtzitting niet uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld (HR 20 oktober 2001, NJ 2002, 77, rov. 4.8).

3.4. Uit de gedingstukken volgt dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 18 oktober 2005, bij gebreke van een inschrijving in de GBA, op 8 september 2005 aan de griffier is betekend. Voorts is de dagvaarding op 12 september 2005 tevergeefs aangeboden op het door de verdachte bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Op 28 september 2005 is de dagvaarding als gewone brief naar genoemd adres verzonden.

3.5. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat door de raadsman niet duidelijk is aangevoerd dat de aanhouding van de behandeling nodig was met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging, en dat -voor zover zulks in het verzoek geacht zou moeten worden besloten te liggen - de raadsman niet heeft aangevoerd op welke termijn hij hoopte "de verdachte te kunnen vinden".

3.6. Het middel faalt.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"op of omstreeks 11 juli 2001 en op of omstreeks 6 mei 2003 te Amsterdam voor het verkrijgen van een kentekenbewijs telkens opzettelijk een onjuiste opgave heeft gedaan en/of onjuiste inlichting heeft verschaft door telkens als adres van de kentekenhouder op te geven [b-straat 1], [0000 AA] te [woonplaats]."

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als:

"Overtreding van artikel 51, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd."

4.2. De strafmotivering houdt het volgende in:

"Verdachte heeft tot twee maal toe opzettelijk voor het aanvragen van een kentekenbewijs een onjuist adres van de kentekenhouder opgegeven. Verdachte heeft aldus opsporing en vervolging krachten de Wegenverkeerswet 1994 gefrustreerd en heeft bovendien overlast bezorgd aan de bewoners van genoemd - onjuist - adres, nu op dat adres vele bekeuringen zijn binnengekomen die niet voor die bewoners waren bestemd. Hiervoor is slechts de - in voorwaardelijke vorm op te leggen - maximaal toepasselijke vrijheidsstraf - te weten een gevangenisstraf van 4 maanden - een adequate bestraffing."

Blijkens het dictum heeft het Hof de verdachte evenwel veroordeeld tot een (voorwaardelijke) gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

4.3. Ingevolge art. 176, derde lid, (oud) WVW 1994 in verbinding met art. 57 Sr kan voor de onderhavige feiten een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden worden opgelegd. Het Hof heeft derhalve het wettelijk strafmaximum overschreden. Het bestreden arrest kan daarom wat betreft de strafoplegging niet in stand blijven.

4.4. In aanmerking genomen dat het Hof blijkens zijn strafmotivering kennelijk van oordeel was dat de maximumstraf - in voorwaardelijke vorm - te dezen passend is, zal de Hoge Raad de door het Hof begane misslag herstellen in dier voege dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Stelt de proeftijd vast op twee jaren;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 december 2006.

Mr. De Hullu is buiten staat dit arrest te ondertekenen.