Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ1800

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
01644/06 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

31 oktober 2006

Strafkamer

nr. 01644/06 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2004, nummer 23-000196-03, ingediend door mr. L.J. Woltring, advocaat te Hoofddorp, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep het vonnis van de Rechtbank te Haarlem waarbij de aanvrager is veroordeeld ter zake van 1. "medeplegen van moord" en 2. "uitlokking van poging tot moord", bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan. Het Hof heeft de aanvrager veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. Voor zover betrekking hebbend op feit 1, berust de aanvrage op de stelling dat de aanvrager het feit niet in vereniging maar alleen heeft begaan. Het aangevoerde levert niet een omstandigheid op als bedoeld onder 3.1 nu zij met name niet kan leiden tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. De aanvrage is in zoverre kennelijk ongegrond. Voor zover in de aanvrage wordt bedoeld dat het aangevoerde zou moeten leiden tot enige andere straf dan de oplegging van vijftien jaren gevangenisstraf, levert dit evenmin een omstandigheid als bedoeld onder 3.1 op. Onder een minder zware strafbepaling in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet immers worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een minder zware straf.

3.3. De aanvrage voor zover betrekking hebbend op feit 2, komt neer op een herhaling door de aanvrager van de ontkenning van zijn betrokkenheid bij dit feit zoals deze ter terechtzitting van het Hof reeds naar voren is gebracht. Niet kan derhalve worden gezegd dat deze omstandigheid de rechter die de veroordeling uitsprak niet bekend was.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 31 oktober 2006.