Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ1487

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
C05/264HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ1487
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Geschil tussen een buschauffeur – die tot exploitatie van een touringcarbedrijf bij akte een overeenkomst tot het aangaan van een vennootschap onder firma had gesloten met drie andere ‘rijdende vennoten’ en een busmaatschappij – en hun belangrijkste opdrachtgever over de vraag of een rechtsgeldige v.o.f. tot stand was gekomen dan wel feitelijk een arbeidsverhouding heeft bestaan; ten onrechte als niet terzake dienend gepasseerd bewijsaanbod.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 149
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 152
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 448 met annotatie van E. Verhulp
JOL 2006, 801
RAR 2007, 26
RO 2007, 13
RvdW 2007, 8
NJB 2007, 81
Ondernemingsrecht 2007, 38 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus
SR 2007, 22 met annotatie van O. van der Kind
JRV 2007, 124
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 10 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus
JWB 2006/433
JAR 2007/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 december 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/264HR

MK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. S.F. Sagel,

t e g e n

BBO INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 24 augustus 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: BBO - alsmede [A1] B.V., [A2] B.V. en [betrokkene 1] gedagvaard voor de rechtbank, sector kanton, te 's-Gravenhage, locatie Alphen aan den Rijn, en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven, een verklaring voor recht dat [eiser] (primair) van 1 mei 1995 tot 1 juli 1997 of (subsidiair) van 1 augustus 1995 tot 1 juli 1997 op basis van een arbeidsovereenkomst chauffeurswerkzaamheden heeft verricht in dienst van primair [A1] B.V., subsidiair van BBO, meer subsidiair van [A2] B.V. en nog meer subsidiair van [betrokkene 1]. Tevens heeft [eiser] op grondslag van vorenbedoelde arbeidsovereenkomst loon, vakantiebijslag en toeslagen conform de CAO voor het besloten busvervoer gevorderd, alsmede de maximale verhoging van 50% ex art. 7:625 BW, wettelijke rente en proceskosten.

BBO, [A1] B.V., [A2] B.V. en [betrokkene 1] hebben de vordering bestreden. In reconventie hebben [A1] B.V. en BBO een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser] jegens hen hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van de vennootschap onder firma N.A.L. v.o.f.

[Eiser] heeft in reconventie de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 29 mei 2001 de zaak in reconventie naar de rechtbank te 's-Gravenhage verwezen en de zaak in conventie aangehouden totdat op de verwezen zaak zal zijn beslist.

De rechtbank heeft bij vonnis van 26 maart 2003 in reconventie, voorzover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat [eiser] (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de schulden van N.A.L. v.o.f. aan BBO.

Bij exploot van 6 juni 2003 heeft [eiser] BBO in hoger beroep gedagvaard voor het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 31 mei 2005 heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd voorzover daarbij de vordering tegen [eiser] is toegewezen en opnieuw rechtdoende, de vordering van BBO tegen [eiser] afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen BBO is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], tot begin 1995 in loondienst werkzaam als buschauffeur, heeft met (uiteindelijk) drie andere buschauffeurs en met [A2] B.V. i.o. een overeenkomst gesloten tot oprichting van een vennootschap onder firma, genaamd N.A.L. De akte is ondertekend op 24 juli 1995; de ingangsdatum van de vennootschap was 1 mei 1995.

(ii) In de overeenkomst is onder meer bepaald dat [A2] B.V. zou zorgdragen voor de benodigde vergunningen ten behoeve van het door de vennootschap te exploiteren busbedrijf; de andere vennoten zouden ieder op een bus rijden.

(iii) [A2] B.V. , waarvan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de bestuurders waren, behoorde tot de zogenoemde [A]-groep. Daarvan maakten verder deel uit (onder meer) [A1] B.V. (directeur [betrokkene 3] - een broer van [betrokkene 1] - en [betrokkene 2]) en BBO (directeur [betrokkene 3], diens vader [betrokkene 4] en [A1] B.V.). Tussen N.A.L en BBO bestond een samenwerkingsovereenkomst; BBO was de belangrijkste opdrachtgeefster van N.A.L.

(iv) Het is [A2] B.V. uiteindelijk niet gelukt de nodige vergunningen te krijgen, waarop N.A.L. in de loop van 1997 haar activiteiten heeft beëindigd. De rijdende vennoten, onder wie [eiser], zijn op 1 juli 1997 (tot 30 juni 1998) in dienst getreden bij een andere vennootschap waarvan de aandelen werden gehouden door [A1] B.V.

(v) N.A.L. is op 29 december 1997 opgeheven.

3.2 [Eiser] heeft de hiervoor onder 1 vermelde vordering ingesteld, strekkende tot een verklaring voor recht dat hij van 1 mei 1995 (althans 1 augustus 1995) tot 1 juli 1997 op basis van een arbeidsovereenkomst chauffeurswerkzaamheden heeft verricht in dienst van primair [A1] B.V., subsidiair BBO, meer subsidiair [A2] B.V. en nog meer subsidiair [betrokkene 1]. Voorts vorderde hij, op de grondslag van bedoelde arbeidsovereenkomst, betaling van loon en emolumenten. De gedaagden voerden als verweer dat [eiser] als zelfstandig ondernemer werkzaam was en met hen samenwerkte in de vennootschap onder firma N.A.L. ; twee van de gedaagden, BBO en [A1] B.V., vorderden in reconventie een verklaring voor recht dat [eiser] als vennoot jegens hen hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van N.A.L. De kantonrechter heeft, overwegende dat hij niet bevoegd is te beoordelen of sprake is van een vennootschap onder firma, de zaak in reconventie verwezen naar de rechtbank en de zaak in conventie aangehouden totdat in reconventie zal zijn beslist.

De rechtbank heeft de vordering van [A1] B.V. afgewezen en die van BBO toegewezen. De rechtbank oordeelde, kort gezegd, dat een rechtsgeldige vennootschap onder firma is totstandgekomen en dat [eiser] als vennoot jegens BBO hoofdelijk aansprakelijk is voor de schulden van N.A.L.

[Eiser] is met zijn derde grief opgekomen tegen dit oordeel van de rechtbank. Het hof heeft deze grief verworpen en heeft daartoe het volgende overwogen:

"4.2. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank. Blijkens schriftelijke overeenkomst (akte van vennootschap onder firma) van 24 juli 1995 is [eiser] met ingang van 1 mei 1995 met drie anderen een v.o.f. tot exploitatie van een touringcarbedrijf aangegaan tot welke v.o.f. op 1 juli 1995 een vijfde vennoot is toegetreden. Deze uitvoerige overeenkomst draagt alle kenmerken van een vennootschap onder firma en behelst geen bepalingen die op een schijnconstructie zouden kunnen wijzen. Zo is ieder van de vennoten gerechtigd tot 20% van de winst, brengen de vier "rijdende vennoten" ieder f. 40.000,- als kapitaal in, alsmede hun volledige arbeid, terwijl de vennoot [A2] B.V. i.o. de benodigde vergunningen inbrengt (dient in te brengen) en de nodige administratieve werkzaamheden dient te verrichten. Ieder der vennoten is gelijkelijk bevoegd namens de v.o.f. te handelen, met dien verstande dat voor bepaalde handelingen de toestemming van alle vennoten vereist is.

4.3 Het moge zo zijn dat in de praktijk van de overeenkomst is afgeweken in dier voege dat [A2] BV een grotere rol bij de bedrijfsvoering van N.A.L. speelde dan haar op grond van de vennootschapsakte toekwam en dat de "rijdende vennoten" voor hun activiteiten sterk afhankelijk waren van BBO, van een hiërarchische verhouding tussen [A2] BV en andere tot de [A]-groep behorende vennootschappen en personen enerzijds en ieder van de "rijdende vennoten" anderzijds is niet gebleken. Ook [eiser] zelf beschouwde N.A.L. als een v.o.f. en zichzelf als vennoot van N.A.L., zoals valt af te leiden uit zijn tegenover een rijkscontroleur van het verkeer afgelegde verklaring van 14 januari 1997 (...). Immers, hij verklaart onder meer: "Ik heb voor mezelf het idee dat ik als vennoot van de N.A.L. als zelfstandig ondernemer bezig ben. Als ik dat gevoel niet meer zou hebben, stop ik er acuut mee." (...) Ook de omstandigheid dat regelmatig vergaderingen van vennoten werden gehouden waarop besluitvorming plaatsvond, wijst erop dat wel degelijk van een vennootschap sprake was en in ieder geval niet van een arbeidsovereenkomst als door [eiser] gesteld."

Het hof heeft vervolgens de vordering van BBO afgewezen op de grond dat een mogelijke schuld van [eiser] aan BBO door een derde is overgenomen (rov. 5.3).

3.3. Het middel klaagt dat het hof bij zijn beslissingen (i) dat [eiser] vennoot is geweest van N.A.L. v.o.f., (ii) dat van een hiërarchische verhouding tussen [A2] en andere tot de Langhoutgroep behorende vennootschappen en personen enerzijds en ieder van de "rijdende vennoten" - onder wie [eiser] - anderzijds niet is gebleken, en (iii) dat in ieder geval geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst als door [eiser] gesteld, geen aandacht heeft besteed aan het door [eiser] gedane bewijsaanbod. Volgens het middel is de impliciete beslissing van het hof om het door [eiser] gedane aanbod bewijs te leveren van "de gang van zaken binnen NAL v.o.f. en de afwezigheid van een gelijkwaardige verhouding tussen de rijdende vennoten en [betrokkene] c.s. in NAL v.o.f." te passeren, rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

Het middel is terecht voorgesteld. Indien het hof van oordeel was dat het door [eiser] bij pleidooi in hoger beroep gedane aanbod bewijs te leveren van de feitelijke gang van zaken binnen N.A.L. en van de afwezigheid van gelijkwaardigheid tussen de vennoten niet ter zake dienend was, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze factoren van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of [eiser] in de periode van 1 mei 1995 (althans 1 augustus 1995) tot 1 juli 1997, niettegenstaande de door hem op 24 juli 1995 gesloten overeenkomst, geen vennoot was van N.A.L. maar werknemer van BBO.

Indien het hof van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is zijn arrest onbegrijpelijk gemotiveerd, omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien op welke grond het het hof dan vrijstond het bewijsaanbod van [eiser] te passeren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 mei 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt BBO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 3.057,05 in totaal, waarvan € 2.984,30 op de voet van art. 243 Rv. te voldoen aan de Griffier, en € 72,75 te voldoen aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 15 december 2006.