Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ0737

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
01389/06 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

3 oktober 2006

Strafkamer

nr. 01389/06 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 14 april 2005, nummer 11/005574-04, ingediend door mr. H.J. Ruysendaal, advocaat te Rotterdam, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Rechtbank heeft de aanvrager ter zake van "afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde als in het vonnis vermeld.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de aanvrager bij het hiervoor onder 1 vermelde vonnis van 14 april 2005 is veroordeeld voor afpersing gepleegd met [betrokkene 1], terwijl genoemde [betrokkene 1] in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 13 oktober 2005 is vrijgesproken van deze afpersing.

3.2. Nu de aanvrager geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het onder 1 vermelde vonnis en in de hem opgelegde straf heeft berust, biedt art. 457 Sv, niet de mogelijkheid van herziening.

3.3. Er is hier immers noch sprake van a. "de omstandigheid dat bij onderscheidene arresten of vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan of bij verstek gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken, welke niet zijn overeen te brengen" (art. 457, eerste lid, aanhef en onder 1º Sv), noch kan worden gezegd dat b. er "eenige omstandigheid" als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder 2º van art. 457 Sv bestaat.

3.4. Het onder a bedoelde geval doet zich hier niet voor omdat het onder 3.1 bedoelde vonnis voor wat betreft het deel van het tenlastegelegde waarvan is vrijgesproken niet inhoudt een bewezenverklaring.

3.5. Het onder b vermelde is niet van toepassing omdat als "eenige omstandigheid" niet kan dienen een beslissing van een Nederlandse rechter doch slechts een omstandigheid van feitelijke aard, die "met de bestreden uitspraak niet bestaanbaar schijnt", zoals in art. 457, eerste lid, aanhef en onder 2º Sv nader omschreven.

3.6. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en 460 Sv, niet worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 3 oktober 2006.