Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ0721

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
01671/06 H
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

26 september 2006

Strafkamer

nr. 01671/06 H

MR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 7 april 2006, nummer 17/840505-05, ingediend door:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken" veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.

2. De aanvrage tot herziening

De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de aanvrage

3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.

3.2. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het onderzoek destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid indien de Politierechter kennis had gedragen van de verklaring van aangever [aangever], in welke deze terugkomt op een eerder door hem afgelegde, voor de aanvrager belastende verklaring.

Die verklaring houdt in:

"Hierbij verklaard ondergetekende:

[Aangever], (...) Naar waarheid de volgende verklaring te hebben opgemaakt en ondertekend: dat hij op of omstreeks 16-8-2005 aangifte heeft gedaan die niet naar waarheid is opgemaakt/afgelegd. Dit tegen [aanvrager], (...), te Leeuwarden. Maar in bewoordingen van een politieagent te Leeuwarden is opgemaakt (...), en door mij is ondertekend zonder te zijn gelezen."

3.3. Vooropgesteld moet worden dat een aanvrager bij een aanvrage tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom een getuige op een hem belastende verklaring terugkomt (vgl. HR 29 april 1997, NJ 1997, 688).

3.4. Aan dit vereiste is niet voldaan. De enkele verklaring van een aangever dat een aangifte niet naar waarheid is afgelegd dan wel opgemaakt omdat hij de verklaring heeft ondertekend zonder deze te lezen, levert onvoldoende grond op aan te nemen dat de verklaring onjuist is geweest. Dit brengt mee dat niet is gebleken van een omstandigheid welke een ernstig vermoeden kan wekken als hiervoor onder 3.1 bedoeld.

3.5. Hieruit volgt dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 26 september 2006.