Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ0690

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
03455/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ0690
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld moet worden dat in een geval als i.c. waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het politie-pv met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (HR NJ 2004, 344). In de gebezigde bewijsmiddelen is i.c. voldoende steun te vinden voor de betrokkenheid van verdachte bij het hem tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 760
RvdW 2006, 1175
NJB 2007, 98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 december 2006

Strafkamer

nr. 03455/05

km/CAW

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juni 2005, nummer 23/000217-05, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 19 oktober 2004 - de verdachte ter zake van "medeplegen van gijzeling" veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] tot het bewijs heeft gebezigd nu deze niet in enig stadium van het proces door de verdediging kon worden ondervraagd.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 26 april 2004 te ongeveer 22.00 uur tot 27 april 2004 te ongeveer 6.25 uur te Amsterdam en Spaarnwoude tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een man, genaamd [betrokkene 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden met het oogmerk een ander, te weten [betrokkene 2], te dwingen iets te doen, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen op 26 april 2004 te omstreeks 22.00 uur die [betrokkene 1] op het Muiderpoortstation vastgepakt en vastgehouden en die [betrokkene 1] achterin een personenauto doen plaatsnemen en die [betrokkene 1] naar een natuurgebied in Spaarnwoude gereden en die [betrokkene 1] gedurende enige tijd belet te gaan en staan waar hij wilde en vervolgens die [betrokkene 2] meermalen gebeld en die [betrokkene 2] gezegd dat ze zijn broertje vasthielden en dat hij en/of de familie geld moest(en) betalen aan verdachte en zijn mededaders en dat [betrokkene 1] niet eerder weg zou gaan voordat alles was betaald en die [betrokkene 2] beloofd dat, als het geld snel zou worden betaald, zijn broertje ongedeerd zou blijven en dat deze dan vrijgelaten zou worden".

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn vervat in de aan dit arrest gehechte aanvulling op 's Hofs verkorte arrest.

3.2.3. Blijkens de pleitnotities, die aan het van de terechtzitting in hoger beroep opgemaakte proces-verbaal zijn gehecht, heeft de raadsman aldaar, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

"Namens kliënt wordt ter terechtzitting onder meer het volgende verweer uitdrukkelijk voorgedragen:

1. Kliënt ontkent het tenlastegelegde, met name voor zover hem daarin wordt verweten dat hij - samen met anderen - [betrokkene 1] opzettelijk van zijn vrijheid heeft beroofd of beroofd gehouden. Van enige dwang in de vorm van vastpakken, vasthouden, beletten te gaan en te staan etc. is geen sprake geweest nu [betrokkene 1] vrijwillig heeft willen meewerken aan de oplossing van een financieel probleem, aldus kliënt, kort samengevat;

2. De door de rechtbank tot het bewijs gebezigde verklaring/aangifte van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 1) vindt ten aanzien van deze door kliënt betwiste onderdelen weliswaar enige, maar niet in voldoende mate steun in de andere voorradige bewijsmiddelen en met name niet in die welke door de rechtbank zijn gebezigd (bewijsmiddelen 2 t/m 8);

3. Mitsdien wordt onder verwijzing naar HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827 aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 1] niet tot het bewijs mogen worden gebezigd, nu ter terechtzitting is komen vast te staan dat de verdediging niet in enig stadium de gelegenheid heeft gehad deze getuige te ondervragen. Nu onvoldoende steunbewijs voorhanden is moet vrijspraak volgen;

4. Dat te dezen bewijsuitsluiting moet volgen is temeer aangewezen, nu [betrokkene 1] het vermeende slachtoffer is, 42 criminele antecedenten heeft en kennelijk niet wil medewerken aan zijn verhoor omdat hij zich onvindbaar heeft gemaakt (zie het aanvullend proces-verbaal met bijlage dd 28 april 2005)."

3.2.4. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het aldus aangevoerde als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - zakelijk weergeven - dat de verklaringen van [betrokkene 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten

a) omdat de verdediging niet in enig stadium van het proces de gelegenheid heeft gehad deze getuige te ondervragen, terwijl diens verklaringen - in het bijzonder op het punt van de opzettelijke vrijheidsberoving/gijzeling - geen of onvoldoende steun vinden in de andere voorhanden bewijsmiddelen en

b) omdat [betrokkene 1], gelet op zijn verklaring over (het dreigen met) een vuurwapen - dat nimmer is aangetroffen - en op de omstandigheid dat hij kennelijk niet wil meewerken aan zijn verhoor en zich daarom onvindbaar heeft gemaakt, ook overigens een onbetrouwbare getuige zou zijn.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.

Weliswaar is de verdediging niet in enig stadium van het proces in de gelegenheid geweest de getuige [betrokkene 1] te ondervragen, doch diens verklaringen - in het bijzonder ook op het punt van de opzettelijke vrijheidsberoving/gijzeling - vinden in voldoende mate steun in andere voorhanden bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [betrokkene 2], de afgeluisterde telefoongesprekken en de verklaringen van andere verdachten in deze zaak.

Op grond hiervan acht het hof de verklaringen van [betrokkene 1], voorzover zij voor het bewijs worden gebruikt, voldoende betrouwbaar. De - overigens speculatieve - stelling van de raadsman dat de getuige [betrokkene 1] zich onvindbaar heeft gemaakt om zich aan een getuigenverhoor in deze te onttrekken, doet - ook indien men uitgaat van de juistheid ervan - aan het vorenstaande niet af.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien in beide onderdelen verworpen en de verklaringen van [betrokkene 1] kunnen dan ook tot het bewijs worden gebezigd."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in een geval als het onderhavige waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen) ondervragen, art. 6 EVRM aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring niet in de weg staat, als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, en voorts dat dit steunbewijs dan betrekking zal moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 344).

3.4. In de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen is voldoende steun in de hiervoor onder 3.3 bedoelde zin te vinden voor de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde, te weten het medeplegen van de gijzeling van [betrokkene 1]. 's Hofs hiervoor onder 3.2.4 weergegeven oordeel geeft derhalve niet blijk van miskenning van de hiervoor onder 3.3 vooropgestelde regel en is ook niet onbegrijpelijk.

3.5. Het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 december 2006.