Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AZ0649

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
00418/06
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ0649
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Oogmerk van wederrechtelijke toeƫigening en (vernietigd) geregistreerd partnerschap. HR verwijst naar conclusie AG, vzv. inhoudende: het middel klaagt dat verdachte en zijn mededader formeel juridisch geoorloofd hebben gehandeld omdat er t.t.v. het opnemen van geld van de rekening van X een geregistreerd partnerschap was en de bankrekening mede t.n.v. van verdachtes moeder stond. Het gaat eraan voorbij dat i.c. het geregistreerd partnerschap wegens een gebrek in de wil aan de zijde van X is vernietigd, deze vernietiging ingevolge art. 1:80a.7 jo 1: 77.1 BW terugwerkt tot het tijdstip waarop het partnerschap is geregistreerd, en er dus naar de regels van het civiele recht nimmer een geregistreerd partnerschap is geweest. Genoemd gebrek moet voor verdachte overduidelijk zijn geweest. Tegen die achtergrond alsmede gelet op de gebezigde verklaringen van verdachte en mededader heeft het hof het bewezenverklaarde oogmerk uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 789
NJ 2007, 12
RvdW 2007, 19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 december 2006

Strafkamer

nr. 00418/06

AJ/CAW

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 26 mei 2005, nummer 21/001182-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 17 februari 2004 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd" en 2. "oplichting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Op de aan de onderhavige schriftuur gehechte schriftuur in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (00415/06) kan geen acht worden geslagen.

2.2. De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd bewezen heeft verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en oplichting, aangezien de verdachte gemachtigd was, althans toestemming had om over de rekeningen van het slachtoffer te beschikken.

3.2. Het Hof heeft naar aanleiding van een gevoerd verweer het volgende overwogen:

"Namens de verdachte is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van wederrechtelijke wegneming, omdat verdachte gemachtigd was c.q. toestemming had over de rekeningen van het slachtoffer te beschikken en van deze rekeningen gebruik te maken.

Dit verweer wordt verworpen en daartoe wordt het volgende overwogen.

De medeverdachte van verdachte, [medeverdachte 1], verzorgde als huishoudelijke hulp een hoogbejaarde - en inmiddels overleden - [slachtoffer], die in voortschrijdende mate leed aan dementie. Deze medeverdachte is met [slachtoffer] een samenlevingsovereenkomst aangegaan op een moment waarop het voor diegenen die het slachtoffer van dichtbij meemaakten en zeker ook voor verdachte overduidelijk moet zijn geweest dat zij niet meer in staat was tot een behoorlijke afweging van de voor haar bij het aangaan van een dergelijke overeenkomst betrokken belangen, waaronder het na behoorlijke afweging geven van toestemming aan derden om over haar rekeningen te beschikken en van die rekeningen gebruik te maken en niet aan zichzelf ten goede komende geldbedragen op te nemen. Bij inmiddels onherroepelijke beslissing van het gerechtshof te Amsterdam van 8 mei 2003 is deze samenlevingsovereenkomst nietig verklaard.

Nadat de samenlevingsovereenkomst was gesloten heeft de medeverdachte van verdachte, in overleg met verdachte, de tenaamstelling van een bankrekening van de ABN-AMRO van [slachtoffer] laten wijzigen in een en/of rekening, waarbij zij zelf als tweede rekeninghouder werd vermeld.

Een eerder verzoek voordat er een samenlevingsovereenkomst was gesloten was door de bank nog geweigerd.

Verdachte heeft vervolgens met zijn medeverdachte in een betrekkelijk korte periode veelvuldig geldbedragen opgenomen van bankrekeningen van het slachtoffer en ook betalingen ten laste van die rekeningen verricht. In totaal gaat het daarbij om een aanzienlijk bedrag."

3.3. Het middel faalt op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6 tot en met 8.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 december 2006.